Willekeurige bemoediging
  • 14 oktober 2006
    Ik kreeg vandeweek een e-mail van een meisje en zij vertelde me dat ze zo graag van de Here Jezus …
Recente reacties
Archief

CD: U bent er altijd

Here is the Music Player. You need to installl flash player to show this cool thing!

De ring… (het hele verhaal)

1.

trouwring

Bam, bam, bam, bam…. 12 x slaat de grote klok in de toren van de kerk. Overal knalt vuurwerk, nog meer dan zonet, alsof de hemel in allerlei kleuren uiteen spat, rode, groene, witte watervallen hangen er in de lucht en verdwijnen langzaam weer. Buiten wensen buren elkaar luidruchtig een goed nieuw jaar en kinderen lopen met sterretjes door de tuinen. In zijn huisje, vlakbij de kerk, zit Menno van Galen. Hij staart mismoedig door de ruit naar buiten en observeert het vrolijke gedoe van de mensen uit zijn straatje. Zijn gezicht is gegroefd door het verdriet dat hij de laatste jaren heeft meegemaakt en dat nog maar zo kort geleden tot een climax is gekomen. Zijn lieve vrouw, waarmee hij meer dan 40 jaren getrouwd is geweest, is hem na een langdurig ziekbed ontvallen. Dag en nacht was hij voor haar in de weer geweest, jarenlang heeft hij voor haar gezorgd en hij deed het met liefde. Gekoesterd heeft hij de mooie momenten die ze toch nog samen hadden mogen beleven. Gekoesterd heeft hij de nachten wanneer hij naast haar lag en af en toe haar hand streelde. En nu… voorbij!! Nee, voor hem, Menno, zal het geen goed nieuw jaar worden dat weet hij zeker! Nooit zal het meer goed worden, nooit meer!!

Als een gebroken man staat Menno langzaam op uit zijn stoel bij het raam. Hij doet het licht uit en gaat naar bed. Oh, niet om te slapen, nee, dat kan hij al tijden niet meer, maar ja, misschien kan hij toch een beetje wegdommelen en zo toch voor heel even zijn pijn niet hoeven voelen. Hij stommelt de trap op naar boven, naar de slaapkamer waar het leeg lijkt, net zoals het overal in zijn huis leeg lijkt zonder zijn lieve Desi. Eenmaal in bed malen zijn gedachten nog verder, wat moet hij beginnen? De dagen rijgen zich aaneen als een snoer van donkere dreigende kralen, geen lichtpuntje valt er voor hem te ontdekken, alles is grauw, leeg en donker geworden. Zijn Desi heeft ieder spoortje van licht in haar graf meegenomen. Vermoeid van alle pijn en verdriet zakt Menno af en toe weg voor een paar minuten, om dan weer klaarwakker te worden en verder te piekeren zodat hij nog steeds vermoeid de andere morgen uit zijn bed komt. Weer een nieuwe lange, lege dag grijnst hem aan… de eerste dag van een lang, leeg, nieuw jaar…

2.

Als Menno nog maar net beneden is wordt er aan het achterraam geklopt. Menno ziet het vrolijke gezicht van zijn vriendelijke buurvrouw. Jetteke is nog jong, zo’n jaar of 35 schat hij haar. Ze is getrouwd met Freddy en samen hebben ze 2 kleine meisjes van 6 en 8 jaar, Mandy en Joy. Het zijn ontzettend lieve buurtjes en Menno en Desi hebben heel veel steun aan hen gehad in de afgelopen jaren. En ook nu nog, nu Desi er niet meer is, is het Jetteke die zich over buurman Menno ontfermt. “Goedemorgen buurman” zegt Jetteke als hij de deur voor haar heeft geopend. “Ik kom u alvast wat lekkere kippensoep brengen voor vanmiddag. Ik heb ze net gekookt en ze is heerlijk. Het zal u goed doen! Hoe is het vandaag, gaat het een beetje?” Jetteke vraagt het tegen beter weten in want ze heeft allang gezien dat het helemaal niet goed gaat met Menno, eerlijk gezegd maakt ze zich grote zorgen over hem. Het verlies van zijn vrouw heeft hem heel hard aangepakt en Jetteke en Freddy proberen met alles wat in hun macht ligt deze man te helpen. Menno zucht moeilijk, hij wil niet almaar klagen als Jetteke komt en dapper produceert hij een klein glimlachje als hij zegt: “ach buurvrouw, het is niet gemakkelijk maar ja, je moet verder hè?” Jetteke kijkt hem warm aan en zegt: “buurman, voor mij hoeft u zich niet groot te houden hoor, ik begrijp best dat heel uw leven op de kop staat nu en dat het verschrikkelijk moeilijk is om zomaar door te gaan. Het is immers niet niks? U was al zo lang samen en nu uw lieve vrouw is overleden is het logisch dat u niet zomaar “verder” kunt en dat mag u gerust laten merken”. Ook nu er een nieuw jaar voor u ligt kan ik begrijpen dat dat heel erg moeilijk is en wil ik u zeggen dat wij altijd voor u klaar staan om u, waarmee dan ook, te helpen. Dankbaar kijkt Menno Jetteke aan, het doet hem goed dat ze dit zegt en dat ze begrijpt dat het eigenlijk allemaal helemaal niet gaat. Ja, om hem heen gaat alles door maar voor hem is het alsof de tijd stil staat, alsof hij niet verder leven kán. Hij kan er niet toe komen om de dingen te doen die hij normaal altijd deed. Hij was degene die de laatste jaren het ontbijt voor hemzelf en Desi klaar maakte. Hij zette wat later op de ochtend gezellig een bakje koffie, zorgde voor de boodschappen en kookte ‘s avonds het eten. Voor de verzorging van Desi kwamen er mensen van de wijkverpleging en ook voor het huishouden kwam er 1 x in de week een aardige dame, Marion. Zij was al een aantal jaren de vaste hulp van Menno en Desi en had ook alles rondom de ziekte en het overlijden van Desi meegekregen. Ook nu nog komt ze iedere week om zijn huisje schoon te houden, een trouwe, meelevende vrouw.

Menno kijkt Jetteke aan, even waren al deze gedachten door zijn hoofd gegaan en tegelijk met deze gedachten beseft hij dat er mensen zijn die om hem geven, die hem willen helpen en Jetteke is er daar zéker één van. “Bedankt voor de soep Jetje” soms noemt hij haar liefdevol bij deze naam, “ik zal er zeker van genieten strakjes. Ach weet je, het is me vaak allemaal teveel moeite om zomaar alleen voor mezelf eten klaar te maken. Voor Desi deed ik het altijd met veel liefde maar het lijkt wel alsof ik overal te moe voor ben”. Jetteke knikt begrijpend. “Het heeft tijd nodig buurman, ik begrijp dat best, gun uzelf maar de rust en de tijd om alles een klein beetje te laten bezinken. En u weet het, als we u ook maar érgens mee kunnen helpen dan willen we dat heel graag doen”. Menno knikt dankbaar en pakt even de hand van Jetteke. “Jullie zijn goud waard, wat bof ik dat jullie mijn buren zijn!”. Jetteke kleurt ervan, ze zegt dat ze het pannetje van de soep wel weer op komt halen en gaat dan via de achterdeur  terug naar haar eigen huis.

3.

Als Menno een paar uurtjes later van de heerlijke soep eet is het niet alleen de soep die hem goed doet, maar bovenal de liefde waarmee Jetteke en Freddy hun zorg voor hem laten merken. Wat een schatten zijn het toch en Menno’s hart wordt warm als hij zich dit realiseert. Als ‘s middags de kleine Mandy van 6 aan de achterdeur klopt om het pannetje op te halen geeft Menno het kleine meisje een aai over haar bol en haalt een rol snoep voor haar en voor haar zusje uit de kast. Desi gaf hem altijd opdracht om iets lekkers voor de kleine meisjes mee te brengen als hij boodschappen ging doen. Ze vond het zo leuk om de meisjes af en toe iets te geven als ze langskwamen. “Dankuwel buurman” glundert het kleine ding, en met de pan in haar armen en het snoep in haar jaszak huppelt ze het pad af naar huis. Glimlachend kijkt Menno haar na.

Als het begint te schemeren zit Menno in zijn stoel voor het raam. Met nietsziende ogen staart hij naar buiten waar mensen zich naar huis reppen. Het is koud en iedereen verlangt naar zijn warme huis. Menno is diep in gedachten, alles van de afgelopen jaren laat hij passeren en er komt een diepe pijn in zijn ogen. Zoals hij daar zit lijkt hij wel een oude man hoewel hij toch nog helemaal zo oud niet is. Hij is net de 65 gepasseerd en in principe nog fit genoeg om van alles te kunnen ondernemen maar omdat hij de laatste jaren aan huis gekluisterd was i.v.m. de ziekte en de verzorging van Desi is hij een echte huismus geworden. hij heeft destijds zijn werk opgezegd omdat hij dat niet vol kon houden samen met de situatie thuis. Hij wilde er helemaal zijn voor zijn vrouw en heeft er daarom voor gekozen te stoppen met werken. Vakantie was er de laatste jaren ook niet meer bij geweest hoewel ze vroeger ieder jaar toch wel een week of 3 op vakantie gingen. Ach, hij heeft het niet gemist hoor, zijn vrouwtje was belangrijker dan al het andere. Hij zucht eens diep en staat dan op om iets voor zichzelf te eten te maken. In de keuken pakt hij 2 boterhammen, belegt die met een plakje kaas, pakt een beker melk en gaat dan voor de tv zitten om het op te eten. Even de gedachten verzetten en naar het nieuws luisteren. Niet dat je daar nu vrolijk van wordt…

4.

Jetteke en Freddy zitten samen met hun kroost aan tafel, ze heeft een lekkere maaltijd gekookt en ze laten het zich goed smaken. De meisjes kletsen honderduit over school en over hun vriendinnetjes. Jetteke en Freddy luisteren geamuseerd, het maakt de maaltijd altijd weer gezellig. Na het eten mogen de meisjes nog even opblijven en terwijl Jetteke zich om de vaat bekommert gaat Freddy de meisjes alvast “bedklaar” maken. Wassen, tanden poetsen, pyjama aan en dan nog héél eventjes naar beneden. Als Jetteke klaar is met de vaat mogen de meisjes nog even, ieder aan een kant van mama, luisteren naar een verhaaltje dat ze voorleest en daarna gaat papa ze lekker naar bed brengen. “Welterusten mama” 2 natte kusjes en 2 dikke knuffels van haar meisjes. “Welterusten lieve schatten, slaap lekker” zegt Jetteke en zo gaan ze met papa mee naar boven. Jetteke hoort ze lachen op de trap en 10 minuten later komt Freddy weer naar beneden. Zijn prinsesjes zijn heerlijk onder gestopt en zullen zo wel slapen, hun oogjes vielen al bijna dicht toen hij het licht uit deed.

Als Jetteke de koffie heeft gehaald en weer op de bank komt zitten zegt ze: “We moeten eens praten over buurman Menno, die man heeft het zo verschrikkelijk moeilijk Freddy”. Freddy knikt, “ja, dat geloof ik ook Jet, avond aan avond, als ik thuiskom van mijn werk, is de kamer nog donker, geen enkele lamp aan en soms zie je alleen het licht van de televisie. Die man moet zich toch verschrikkelijk eenzaam voelen?” Jetteke knikt, ja dat hij eenzaam is dat zie je gewoon aan hem, het straalt er van af. Hij en Desi hebben ook geen kinderen en dat maakt het allemaal nog moeilijker natuurlijk want er is niemand die naar hem omkijkt. “Hij vertelde vandaag dat hij overal te moe voor is, hij zorgt ook niet goed voor zichzelf denk ik hoor, hij ziet er helemaal niet goed uit. Ik heb hem wat verse kippensoep gebracht vanmorgen en dat heeft hij wel gegeten maar verder denk ik dat hij voor zichzelf geen moeite doet om goed te eten”. Jetteke moet er eens van zuchten. Ze is van deze lieve buren gaan houden en tijdens de ziekte van de buurvrouw heeft ze dikwijls haar diensten aangeboden waar ook dankbaar gebruik van gemaakt is, maar nu buurman alleen is vindt ze dat toch een beetje lastiger. Kan ze hem wel lastigvallen, vindt hij het niet vervelend als ze komt, wil hij niet liever alleen zijn of is het juist goed voor hem dat ze af en toe even gaat kijken? Vragen waar ze mee zit en waar ze niet meteen een antwoord op weet. De rest van de avond houdt dit haar bezig en als ze gaat slapen is er een gebed in haar hart voor buurman Menno.

5.

Een week later moeten de kinderen weer naar school en als Jetteke al vroeg door de rammelende wekker wordt wakker gemaakt groeit er zomaar een plannetje in haar gedachten. Ja, misschien dat dát buurman een beetje zou kunnen helpen…

Zodra ze de kinderen naar school heeft gebracht gaat Jetteke naar de buurvrouw aan haar andere kant, buurvrouw is thuis en is verrast dat Jetteke haar met een  bezoekje vereert. “Bakje koffie Jet?” vraagt buurvrouw, die Elske heet, “graag Els” zegt Jetteke en terwijl Elske de koffie gaat halen overdenkt Jetteke haar plannetje nog eens. Als de dampende kopjes koffie op tafel staan steekt ze van wal: “Luister Elske, je weet dat buurman Menno het moeilijk heeft na de dood van zijn lieve Desi hè?” Elske knikt, ja dat heeft ze wel gemerkt. “Nou, ik was zo aan het nadenken of we hem niet een beetje kunnen helpen en nou heb ik een plannetje. Buurman Menno moet eigenlijk weer een beetje onder de mensen komen, de laatste jaren heeft hij alleen geleefd voor zijn vrouw en kwam hij helemaal nergens meer. Nu begrijp ik heel goed dat hij er niet één twee drie klaar voor is om ergens heen te gaan maar misschien kunnen we hem wél zover krijgen dat hij bij ons alvast wél weer een beetje contacten aanknoopt maar daar moeten we hem bij helpen want zoals hij nu is en zich nu voelt heeft hij helemaal nergens zin in of puf voor”. Elske knikt nadenkend “en hoe had je dat dan gedacht?” vraagt ze. Eh, eigenlijk wil ik onze kinderen daar voor inzetten, hij is dol op die twee en sowieso is hij dol op kinderen. Hij en Desi hadden ook altijd belangstelling voor de kinderen uit ons buurtje en steevast kregen ze aandacht en iets lekkers. De kinderen waren ook dol op Desi en hem maar nu Menno zich zo terugtrekt zijn ze toch een beetje verlegen naar hem toe. Vragend kijkt Elske naar Jetteke, hoe wil zij de kinderen hierin betrekken? En dan ontvouwt Jetteke haar plan…

Een kwartiertje later zitten beide dames druk te praten, helemaal opgaand in het plan van Jetteke en als deze na een uurtje huiswaarts keert ligt er een blijde glimlach om haar mond. Dit móét gewoon lukken!

Om kwart over drie ‘s middags staat Jetteke bij de school om haar kinderen op te halen en als ze langs het huis van Elske lopen steekt die haar duim op, blij zwaait Jetteke terug en gaat met de meisjes hun eigen huis binnen. Eerst even wat drinken maken, lekker warme chocolademelk, dat is zo heerlijk met dit koude weer. De dametjes genieten er zichtbaar van en vertellen over school. Als ze zijn uitverteld gaan ze lekker spelen, Joy gaat een mooie tekening maken en Mandy gaat met haar poppen spelen, ze is een echt poppenmoedertje. Tegen de tijd dat Freddy thuis komt geurt het heerlijk in huis, handenwrijvend komt hij binnen, “dag schat, goede dag gehad vandaag?” vraagt hij, “ja zeker, jij ook?” Freddy knikt, ja hoor, ook zijn dag was prima. Jetteke roept de kinderen en met elkaar gaan ze aan tafel. Ze genieten van de heerlijke maaltijd en de kinderen kwebbelen gezellig honderduit. Als ze wat later lekker in bed liggen en de rust is weergekeerd begint Jetteke haar plan ook aan Freddy uit te leggen. Freddy luistert aandachtig, stelt hier en daar wat vragen en knikt dan instemmend. Ook hij hoop dat ze buurman Menno hier wat mee kunnen helpen. “Wat ben je toch een schat om zoiets te bedenken” zegt hij warm. Jetteke kleurt van genoegen en tevreden met elkaar en de hele wereld zitten die twee daar nog een poos heerlijk op de bank tot het tijd is naar bed te gaan.

6.

Woensdagmorgen, als Jetteke de kinderen naar school heeft gebracht klopt ze aan de achterdeur van buurman Menno. Deze is blij verrast zijn buurvrouwtje te zien, “kom erin Jetje” zegt hij blij, “bakje koffie?” vraagt hij. Jetteke knikt, “lekker buurman, en ik heb ook gelijk een vraagje aan u” zegt ze. Menno gaat eerst de koffie maar maken en als de Senseo zijn werk gedaan heeft kijkt hij Jetteke vragend aan: “Zeg het eens meisje? wat wilde je vragen?” Jetteke kijkt hem aan en zegt: “Het is eigenlijk een gunst buurman, ik moet vanmiddag weg en nu zit ik met de meisjes, ik heb geen oppas voor ze en nu vroeg ik me af of u misschien een paar uurtjes op ze zou kunnen passen? U kunt dan gewoon bij ons thuis komen, daar hebben ze hun eigen spulletjes en dan zouden we het ook gezellig vinden als u dan vanavond blijft eten?” Afwachtend kijkt Jetteke naar Menno’s gezicht, hoe zou hij hier op reageren? Menno kijkt eerst blij verrast, dat geeft een stukje afleiding en invulling aan deze lege dag, maar direct daarop kijkt hij zorgelijk want kan hij dat wel? Kan hij wel voor de meisjes zorgen? Hij spreekt zijn twijfels uit naar Jetteke maar deze weet hem te overtuigen dat hij dit echt wel kan. Dan geeft Menno zijn toestemming en als Jetteke wat later naar huis gaat is er sinds lange tijd een piepklein zonnestraaltje Menno’s hart binnengeslopen. Hij kijkt uit naar de middag.

Tijdens de lunch vertelt Jetteke de kinderen dat buurman Menno vanmiddag op hen komt passen omdat mama weg moet. De kinderen juichen, dat vinden ze wel gezellig. Jetteke had niet anders verwacht, ze kent haar twee bengeltjes. Om klokslag 1 uur staat Menno aan de deur en nadat Jetteke hem nog even wegwijs heeft gemaakt laat ze hem bij de meiden achter en vertrekt. Waarheen? Ach, wat doe het ertoe? Haar doel voor deze dag is bereikt en nadenkend loopt ze richting de bushalte om even later in de bus te stappen die haar naar de stad brengt.

7.

“Buurman, buurman….” klinkt het, Menno kijkt op “ja Joy?” vraagt hij. Joy komt naar hem toe en kijkt hem verwachtingsvol aan “nou buurman, ehh Mandy en ik zaten te denken, mogen we u niet gewoon “opa”  noemen? U bent net zo oud als onze opa en dat klinkt toch veel gezelliger? Wij vinden u ook net zo lief als onze opa”. Menno kijkt recht in de lieve ogen van Joy die haar hoofdje naar hem heeft opgeheven, hij wordt ontroerd door de liefde die hij op dat kindergezichtje ziet. “Maar natuurlijk mogen jullie mij opa noemen lieverd, ik wil heel graag jullie opa zijn”, zegt hij met tranen in zijn stem. Blij huppelt Joy naar haar zusje om haar het goede nieuws te vertellen. Als Jetteke wat later in de middag thuis komt zit daar opa Menno met op iedere knie een meisje dat aandachtig luistert naar het verhaal dat opa vertelt. Jettekes hart wordt er warm van, hier had ze zó op gehoopt. Ze loopt snel door naar de keuken en gaat koffie zetten. Als ze even later de kamer binnenkomt met koffie voor henzelf en limonade voor de kinderen is het verhaal net uit. “Opa kan zó mooi vertellen mama” zegt Joy. Menno kleurt bij die woorden, “eh ja buurvrouw, ze vroegen of ze mij opa mogen noemen en ik heb gezegd dat dat goed was… eh, tenminste als jullie er niets op tegen hebben?” vraagt hij verlegen. Jetteke vindt het geweldig van haar meiden dat ze zich zo aan Menno hebben toevertrouwd en dat zegt ze ook tegen hem. “Ik vind het alleen maar heel fijn buurman” zegt ze, “hun eigen opa’s wonen niet bepaald in de buurt en hoe heerlijk is het voor kinderen om een opa vlak bij huis te hebben”. En een beetje schuchter voegt ze eraan toe: “Enne, ikzelf vind dat ook fijn”. Menno glundert, hij zegt dat Jetteke hem dan voortaan geen buurman en u meer moet noemen maar gewoon Menno en jij. Jetteke belooft hem dat en dan verdwijnt ze naar de keuken om het eten klaar te gaan maken. Het duurt niet lang of heerlijke geuren vullen het huis, Menno zucht er zomaar van, dit gevoel heeft hij al veel te lang niet meer gehad.

Eten met de buren en hun kinderen, het is een hele belevenis voor Menno, eentje die hij met volle teugen geniet. Niet alleen het eten is voortreffelijk maar ook het heerlijke gebabbel van de meisjes, de gesprekken van- en met Freddy en Jetteke, och wat warmt Menno zich hieraan. Hij blijft nog even voor een bakje koffie en als de meisjes gaan slapen krijgt ook hij een knuffel. Spontaan geeft hij ze een dikke knuffel terug, die meiskes toch, wat zijn ze lief!

Het is een Menno die diep in gedachten is als hij naar zijn eigen huisje terug loopt. De middag en avond die achter hem liggen waren zo anders, zo bijzonder, zo.. zo.. hij weet er geen woorden voor te vinden maar diep in zijn hart is een stukje warmte gekomen die de kilte die zich diep vanbinnen heeft genesteld een klein beetje weet te verdrijven. Voor het eerst in lange tijd valt Menno die avond meteen in een diepe slaap. Hij heeft nog even teruggedacht aan alles wat er vanmiddag gebeurd was en naast al zijn verdriet en pijn is er vanavond een sprankje nieuwe hoop en dankbaarheid, want hij die nooit vader had mogen worden mag nu opa zijn, opa van twee lieve kleine meisjes, wat een rijkdom. De nacht sluit zich om hem heen en als hij de andere morgen wakker wordt voelt hij zich rustig en blijft hij nog heel even liggen onder de koesterende warme deken.

8.

Het is donderdag en op donderdag komt Marion, zijn trouwe hulp. Marion heeft alles van dichtbij meegemaakt en ook zij kan Menno de laatste tijd niet goed meer bereiken. Oh, hij is altijd vriendelijk, luistert als ze iets vertelt, geeft ook antwoord maar de echte interesse in wat dan ook ontbreekt. Meestal zit Menno op zo’n ochtend stilletjes in zijn stoel voor het raam met trieste ogen naar buiten te kijken.

Als Marion deze morgen met haar sleutel de deur opent staat Menno al meteen in de gang. Marion heeft in de tijd dat het met Desi zo slecht ging een sleutel gekregen zodat ze zichzelf binnen kon laten. Ze vertrouwden haar volkomen en Marion zou er ook nooit misbruik van maken. Menno vond het wel handig dat ze nog steeds gewoon op eigen houtje binnen kon komen, hoefde hij tenminste niet speciaal zijn stoel uit om de deur te openen. Maar vanmorgen is het anders, Marion ziet het meteen als ze binnenkomt. Menno lijkt minder somber, en dat hij naar de gang is gekomen is ook al bijzonder. “Goede morgen Marion, fijn dat je er weer bent” zegt hij en Marion groet hem vriendelijk terug. Na een kort praatje gaat ze meteen aan het werk maar als ze rond een uur of 10 gezellig aan de koffie zitten begint Menno meteen te vertellen wat hem gisteren overkomen is. Marion luistert geïnteresseerd en is blij voor hem. Wat is hij enthousiast dat hij zomaar een opa mag zijn, Marion loopt spontaan op hem toe om hem een kus op de wang te geven. “Wat heerlijk om u zo te zien meneer van Galen, wat ben ik blij voor u” zegt Marion en ze meent het oprecht. Ze heeft zo met hem te doen gehad en met hem meegeleefd. Ze heeft hem zien veranderen van een lieve, gemoedelijke, vlotte persoonlijkheid in een stille in zichzelf gekeerde oude man die met gebogen schouders door het huis doolde. Als Marion aan het einde van de ochtend de deur achter zich dichttrekt kijkt Menno eens om zich heen en is hij dankbaar dat zij zo trouw voor zijn huisje zorgt.

Die verdere week gaat Menno zijn eigen gangetje, soms is hij diep in gedachten, soms maken alle herinneringen hem diep verdrietig, maar er is ook een stukje dankbaarheid dat hij zolang met Desi samen had mogen zijn. Al met al dwarrelen er heel wat gedachten door zijn hoofd en passeren er heel wat emoties de revu. Hij leeft bij de dag en heeft eigenlijk geen toekomstverwachtingen meer, geen doelen, geen dromen, niets… hij leeft, ja, maar het leven is zinloos geworden, en zo zakt langzaam maar zeker de blijdschap van de woensdagmiddag met de kinderen weer weg. Morgen is het zondag, toen Desi nog goed gezond was gingen ze samen elke week naar de kerk, later toen zij dat niet meer kon luisterden ze samen elke zondag naar de kerktelefoon of keken naar een dienst op de televisie maar ook dat is er tegenwoordig niet meer bij. Menno heeft het gevoel dat het toch allemaal niet uitmaakt, oh niet dat Hij het geloof vaarwel heeft gezegd maar het luisteren naar preken voegt niets toe aan zijn leven. Hij wordt er niet door opgebouwd, eerder ergert hij zich aan veel dingen, gewoonweg omdat hij het niet meer verdragen kan als hij ziet of hoort dat mensen vertellen over de trouw van de Here God. Hij voelt zich min of meer in de steek gelaten door de Here God, want waarom moest zijn vrouw al zo jong sterven? Waarom mocht ze niet wat langer leven? Ze hadden er toch zo vurig om gebeden… Het doet Menno pijn om hieraan te denken, heel veel pijn. Menno staat op uit zijn stoel, trekt zijn schoenen aan en gaat naar buiten.

9.

Eenmaal buiten gaan zijn voeten als vanzelf richting de begraafplaats waar Desi is begraven. Als hij bij haar graf komt zou hij haar nog zoveel willen vertellen maar hij zegt niets en kijkt alleen maar, heel stil staat hij daar en kijkt naar dat graf. Heel langzaam rolt er een traan over zijn wangen maar Menno merkt het niet eens, hij verdrinkt in een intense pijn en even heeft hij het gevoel of hij er gék van wordt!! Dan ineens hoort hij 2 vrolijke stemmetjes: “opa, opa!!” Menno kijkt op, hij ziet zijn kleine buurvriendinnetjes aankomen, samen met hun moeder. Jetteke heeft een mooie roos bij zich die ze heel voorzichtig en liefdevol op het graf legt. Dan kijkt ze Menno aan en zegt: “We hadden blijkbaar hetzelfde doel vandaag”. Ze ziet het intense verdriet van Menno en in een opwelling pakt ze zijn hand en neemt hem mee, weg van de begraafplaats. “Heb je zin om even mee te gaan voor een bakje koffie Menno? De meiden en ik zouden het gezellig vinden en ik weet zeker dat Freddy dat ook vindt. Jullie kunnen zo goed praten samen”. Menno kan nog geen woord uitbrengen maar hij knikt dankbaar en zo lopen ze naar hun eigen straatje, de 2 meisjes springend en giechelend voorop.

Eenmaal thuis laat Jetteke Menno achter bij Freddy en gaat ze snel koffie zetten. Even later geurt het hele huis naar de versgezette koffie en snel maakt ze ook nog een lekkere boterstaaf warm, een overblijfsel van de feestdagen. Als ze de kamer binnenkomt zijn Freddy en Menno al in een gesprek verwikkeld en zitten de meisjes samen te kleuren. Jetteke zet het blad met al het lekkers op tafel en twee paar mannenogen kijken naar haar met liefde en genegenheid. Ze deelt de koffie en de warme boterstaaf rond, brengt ook de meisjes een stukje en een lekkere beker warme chocolademelk. De 2 juichen, heerlijk warme chocolademelk, daar houden ze zo van. Er valt een stilte als ze aan hun lekkernij beginnen en hun koffie drinken maar het is een harmonieuze stilte, ieder geniet van deze momenten.

Jetteke gaat na de koffie aan de slag in de keuken om het avondeten te bereiden en gaat er maar van uit dat Menno blijft eten. Als hij de etensgeuren ruikt en bescheiden op staat om naar huis te gaan zegt Jetteke dat ze al op hem gerekend heeft en aarzelend, maar toch ook wel blij verrast, gaat hij weer zitten. Hier had hij niet op gerekend, een onverwachte meevaller. Dit had hij vanmiddag, toen hij zo diep in gedachten was en zich zo verdrietig voelde, niet kunnen denken. Ja, hier wordt zijn hart warm van en later aan tafel doet hij de maaltijd alle eer aan. “Het was heerlijk Jetje” zegt hij en dankbaar kijkt hij haar aan. “Fijn Menno, we vinden het gezellig als je van tijd tot tijd hier bij ons aanschuift, tenslotte is dat wat opa’s doen, toch?” vraagt ze met een schalks lachje. Menno wordt rood van verlegenheid maar de meisjes vallen hun moeder bij “Ja, opa Menno, wij vinden dat ook heel leuk!”. Freddy lacht en zegt: “Nou Menno, 3 vrouwen, daar kun je niet tegenop”. Menno lacht en om zijn verlegenheid te verbergen knuffelt hij de 2 kleine dametjes nog eens extra. Wat heerlijk als je het gevoel hebt dat je er zo bij mag horen. Een gevoel dat Menno alleen kent van Desi maar verder eigenlijk niet, een prachtig gevoel!

10.

In de maanden die volgen gaat het op en neer met Menno, soms gaat het wel, maar er zijn ook perioden dat hij helemaal wegzinkt in zijn verdriet. Jetteke vraagt hem regelmatig om op de meisjes te passen en dat doet hij met heel veel liefde en plezier, ook is hij regelmatig te gast bij zijn lieve buurtjes om te eten en dat zijn de momenten die hij diep in zijn hart koestert. Het zijn de lichtpuntjes van zijn, verder zo donkere, dagen. De winter gaat over in de lente maar Menno ziet het niet, de lente gaat langzaam over in de zomer en ook dat gaat bijna ongemerkt aan Menno voorbij. Zat hij vroeger altijd lekker met zijn Desi in de tuin op warme dagen, nu is hij zijn huis niet uit te krijgen. De dagen rijgen zich somber aaneen en de momenten met zijn buurtjes en hun kinderen zijn de gekleurde kraaltjes die er tussen geregen worden. En voor Menno er erg in heeft is het al november geworden. De zomer was warm en de herfst was mild. Echt koud is het nog niet geweest maar als Menno op een novembermorgen uit bed komt voelt hij dat het weer een gevoelige omslag heeft gemaakt. Brrr, hij bibbert als hij zijn voeten naast het bed zet en het eerste wat hij doet is de verwarming wat hoger draaien. Hij kijkt naar buiten en ziet de kinderen naar school gaan met de jassen hoog dichtgeknoopt en een aantal hebben een sjaal om en handschoenen aan. “Echt weer voor een warme trui” mompelt hij tegen zichzelf als hij de kast opendoet. Hij zoekt een lekkere warme trui uit en als hij er eentje uitneemt valt er een andere trui op de bodem van de kast. Hij pakt hem op en terwijl hij hem bekijkt komt er een herinnering naar boven. Desi had deze trui voor hem gekocht, ze had hem heel geheimzinnig uit een tasje tevoorschijn gehaald en gezegd: “Hier, kijk eens, een lekkere kleurige, fleurige trui. Dat zal je goed staan, eens iets heel anders dan altijd maar die donkere kleuren, je wordt al vrolijk als je ernaar kijkt”. Desi kende zijn voorkeur voor “saaie” kleuren en had in een baldadige bui de kleurige trui meegenomen. Menno had hem aangetrokken maar vond het maar niets. Het was hem véél te bont geweest en zo had de trui al die jaren stilletjes in een hoekje van de kast gehangen…

Ietwat verdwaasd staat Menno daar met de gewraakte trui in zijn handen en ineens is het alsof de trui hem heel dierbaar is. Hij drukt hem tegen zich aan, ruikt eraan alsof hij de geur van Desi erin terug zou kunnen vinden en dan loopt hij ermee naar de badkamer. Als hij even later gedoucht en aangekleed uit de badkamer komt heeft hij de kleurige trui aangetrokken. Toen hij zichzelf erin bekeek was het alsof hij het blije gezicht van Desi, toen ze de trui voor hem gekocht had, opnieuw voor zich zag en hardop heeft hij tegen zijn spiegelbeeld gezegd: “Ik doe hem aan Dees, jij malle lieve vrouw, ik hou van jou!”

Alsof de trui inderdaad de kracht heeft om hem op te vrolijken loopt hij zachtjes fluitend naar de keuken om zijn ontbijt klaar te maken. Hmm, hij heeft wel zin in een gekookt eitje bij zijn boterham, en neuriënd zet hij een pannetje op het fornuis om zijn eitje te koken. Even later zit hij met smaak te ontbijten, iets wat hij al lange tijd niet meer gedaan heeft. Weet je wat, hij gaat straks lekker even bij Jetje om de koffie, gezellig even een beetje kletsen. En zo gezegd zo gedaan, om tien uur meldt hij zich bij Jetteke die blij verrast is als ze Menno ziet aankomen. Dat is de eerste keer dat hij uit zichzelf aan komt lopen en haar hart maakt een blij sprongetje. Wat leuk dat je even aankomt Menno, kom er gauw in, het is zo guur buiten en hier binnen is het lekker warm. Menno ontdoet zich in de hal van de jas die hij even over zijn trui had aangetrokken en meteen valt het Jetteke op dat hij zo’n fleurige trui aan heeft. Menno vertelt het verhaal van de guitige Desi en Jetteke merkt dat deze herinnering Menno’s hart warm maakt. “Hij staat je geweldig!” zegt ze en ook de meisjes, die tussen de middag uit school komen, zijn vol bewondering over de mooie trui van opa. Glunderend zit Menno daar aan de eettafel, met aan elke kant een blij meisje want jippie, opa blijft eten.

Vanaf die dag lijkt er toch een kleine omslag te zijn gekomen in het hart van Menno. Hij is weer wat meer geïnteresseerd in de wereld om hem heen en regelmatig maakt hij een wandeling door de buurt waarbij hij zo nu en dan een praatje aanknoopt met een van de buurtjes als hij die tegenkomt en bij Elske is hij ook al een paar keer op de koffie geweest omdat ze hem steevast binnen nodigt als ze hem voorbij ziet lopen. Ook bij haar voelt Menno zich op zijn gemak en welkom. Als hij naar de supermarkt gaat voor zijn boodschapjes groet hij links en rechts bekenden en langzaam maar zeker bloeit hij een klein beetje op. Hoewel het verdriet hem nog regelmatig overmant blijft hij er niet meer zo lang in hangen en zo raakt hij stukje bij beetje weer bij het leven van alledag betrokken.

11.

Mandy en Joy zijn de vreugde van Menno’s leven, het is opa voor en opa na en dikwijls komen ze even na schooltijd bij hem aan voor een praatje en een snoepje en meestal blijven ze dan ook nog voor een verhaal, want ja, opa Menno die kan toch zó goed verhalen vertellen. Niet uit een boekje ofzo, nee, gewoon zomaar uit zijn hoofd. En de meisjes genieten ervan. Jetteke en Freddy zien met blijdschap hoe hun buurman vooruitgaat.

Het is de laatste week van november en de dagen zijn guur en kort. Om 5 uur is het dikwijls al donker en ‘s morgens is het ook pas laat licht. Menno is de afgelopen dagen weer erg somber, dat komt omdat het precies een jaar geleden is dat Desi overleed en alle herinneringen aan die tijd komen extra hard naar binnen. Soms geeft hij zich eraan over, soms probeert hij afleiding te zoeken, een andere keer gaat hij juist naar haar graf toe, maar het maakt hem al met al somber. Als hij op een woensdagmorgen uit bed komt overvalt hem opnieuw dat diepe verdriet, die sombere eenzaamheid en hij heeft het gevoel alsof hij er elk moment in kan verdrinken. Op dat moment besluit hij om zelf iets te ondernemen omdat hij hier niet aan toe wil geven. Hij bedenkt dat hij Mandy en Joy vanmiddag wel gezellig mee uit kan nemen, maar waarheen? Hmm, Menno denkt eens na, o wie weet draait er wel een leuke kinderfilm in de bioscoop. Hij gaat op zoek en inderdaad draait er een leuke kinderfilm waar hij ze wel mee naar toe kan nemen. Als hij even later bij Jetteke aanklopt om te vragen of hij de meiden mee mag nemen vindt die het meteen goed. “Kom je dan na afloop nog gezellig mee naar hier en blijf je dan ook eten?” vraagt ze en Menno stemt maar al te graag toe.

Even na enen komt Menno de twee meisjes halen. Jetteke heeft wel gezegd dat opa Menno iets gezelligs met ze gaat doen maar ze heeft niet verklapt wát. De meisjes zijn vol verwachting en hun mondjes staan niet stil onderweg. Gissend naar hun einddoel stappen ze gedrieën in de bus die hen naar de stad brengt. Ze juichen als ze horen dat ze naar de film mogen, dat gebeurt niet dikwijls en een poosje later zitten ze, ieder aan een kant van Menno, ieder ook met een doos popcorn op schoot, geboeid te kijken naar de film. Menno kijkt neer op de twee hoofdjes die aandachtig naar het grote scherm kijken en hij is vertederd. Kon je dit nog maar meemaken Dees, denkt hij, maar hij zet zijn verdrietige gedachten opzij en doet zijn best zich te verdiepen in de film. Als ze een poos later weer onderweg naar huis zijn babbelen de meisjes honderduit over de film die ze gezien hebben, ze genieten duidelijk nog na van de fijne middag en ook opa Menno heeft genoten. Eenmaal thuis wordt mama bestormd met verhalen over de film en dankbaar kijkt Jetteke over de hoofden van haar meisjes heen naar Menno die zich behaaglijk in een stoel laat zakken. Als ook Freddy thuiskomt moeten Mandy en Joy natuurlijk nog een keer alles vertellen en het zijn twee blije meisjes die snel nadat ze naar bed gebracht zijn in dromenland belanden. De volwassenen maken er nog een gezellige avond van en als Menno thuis komt is hij zo moe dat ook hij al heel snel in slaap valt.

12.

Het is twee weken later als Jetteke ‘s middags naar buiten kijkt en ziet dat er heel licht vlokjes naar beneden dwarrelen. Sneeuw!! Heerlijk het sneeuwt, Jetteke gaat voor het raam staan en kijkt hoe al die vlokjes op de grond vallen, de eerste smelten nog een beetje maar van lieverlee gaat het harder sneeuwen en blijven de vlokjes liggen. Het duurt niet lang of er ligt een mooie witte deken op de trottoirs en de straat. Jetteke geniet ervan, het werk dat ze aan het doen was is ze helemaal vergeten. Haar emmer met doekje staat zomaar ergens in de kamer, ze is helemaal in de ban van die mooie sneeuw. Wat zullen haar meiden genieten straks. Ze loopt alvast naar de schuur om de slee, die ze al drie jaar lang niet hebben kunnen gebruiken omdat het niet sneeuwde, tevoorschijn te halen. Weet je wat, ze loopt met de slee naar school om ze op te halen, wat zullen ze opkijken. Als het bijna 3 uur is loopt ze met de slee naar school en gaat tussen de andere wachtende ouders staan. Ja, daar heb je Mandy, ze heeft niets in de gaten want ze verwacht haar moeder natuurlijk niet maar Jetteke roept haar. Mandy kijkt verbaasd en verrast op, “Hé mama!” juicht ze, “jippie, je bent met de slee gekomen” en al glijdend komt ze aanrennen. Ook Joy is helemaal in de wolken en zo, met twee meisjes op de slee, worstelt Jetteke zich al glijdend terug naar huis. Alle drie hebben ze rode wangen van de kou en de pret en zo ziet Menno ze aankomen.

Hij kijkt naar het vrolijke drietal en ineens komt zijn kwajongens kant naar boven. Snel loopt hij naar de gang, schiet in zijn schoenen en jas en in de tuin raapt hij de sneeuw bij elkaar en vormt er een sneeuwbal van. Hij gooit hem naar het drietal en onmiddellijk ontstaat er een vrolijk sneeuwballengevecht. De meisjes gillen het uit van plezier en Menno en Jetteke doen braaf mee. Alle vier zijn ze even later doornat en ijskoud, hun wangen gloeien en hun handen tintelen maar ze hebben uitbundig plezier. “Pfff, tijd voor iets warms, allemaal een lekkere warme chocolademelk?” vraagt Jetteke terwijl ze vergeefs haar handen warm probeert te blazen. “Jaaaaa” klinkt het uit drie monden want ook Menno roept om het hardst. Nog nagiechelend stommelt het viertal de hal binnen en doen hun natte schoenen en jassen uit. Niet veel later zitten ze gezellig rond de grote eettafel waar ieder een dampende mok chocolademelk voor zich heeft staan. “Doen we een spelletje?” vraagt Joy, “Ja, eentje waar ik ook mee kan doen” valt Mandy haar zusje bij en zo wordt het dierenmemory tevoorschijn gehaald. Menno verbaast zich erover dat die kleine dames hem veel te slim af zijn en veel beter schijnen te onthouden waar alle kaartjes liggen. Na een paar spelletjes kondigt Jetteke aan dat ze gaat koken en zegt: “Je eet toch wel gezellig met ons mee Menno?” Mandy en Joy vallen hun moeder bij, ja zij willen opa Menno nog wel een poosje hier houden, misschien vertelt hij nog wel zo’n mooi verhaal? Tja, daar kan Menno niet tegenop natuurlijk en zo begint hij even later, met op elke knie een kleine dame, te vertellen…

13.

“Er was eens een aardige jongeman die opgroeide als enigst kind bij een lieve vader en moeder. Hij had het thuis goed en op school ging het ook goed. Hij had leuke vrienden en heel vaak deden ze dingen samen. Oh ja, ook kwajongensstreken haalden ze uit hoor” “wat dan, wat dan?” vragen de meisjes terwijl ze vol vrolijke verwachting hun gezichtjes naar Menno opheffen. “Nou, als het gesneeuwd had, net zoals vandaag, dan gingen de jongens in de winkelstraat stiekem achter de mensen aan en gooiden sneeuwballen in hun nek. Hahaha, de mensen schrokken zich wild en sommigen riepen boos naar de kwajongens maar anderen vonden het wel grappig en gooiden dan sneeuwballen terug. Ze hadden samen heel veel plezier. De jongen groeide op en op een dag kwam hij op een verjaardag van één van zijn vrienden een heel mooi meisje tegen. Ze was net zo mooi als jullie. Het meisje en de jongen vonden elkaar wel heel erg leuk en toen ze elkaar heel goed kenden gingen ze trouwen”.

“Hoe heten die jongen en dat meisje opa?” vraagt Joy. “Menno en Desi” zegt opa, en de meisjes kijken verrast naar hem op. “Gaat dit verhaal over jou?” vraagt Mandy en opa knikt. “Desi en Menno hielden heel veel van elkaar en ze hadden heel graag ook een paar van die mooie meisjes gehad zoals jullie maar dat gebeurde niet. Voor Desi en Menno was dat wel heel verdrietig maar Desi had Menno verteld van de Here Jezus. Zij was gelovig opgegroeid, net als jullie, haar ouders hadden haar geleerd om te bidden en om de dingen met de Here Jezus te bespreken. Menno was niet gelovig opgevoed maar hij was heel erg geïnteresseerd en ging met haar mee naar de kerk om er meer over te horen en te leren. Voordat ze gingen trouwen heeft Menno tegen de Here Jezus gezegd dat hij ook graag bij Hem wilde horen en samen met Desi bad hij iedere dag. Het had hen geholpen in hun verdriet en ze waren heel blij geweest met elkaar. Maar toen op een dag werd Desi ziek. Menno en Desi waren ook toen heel erg verdrietig geweest maar ze hadden samen gebeden en genoten van alle mooie momenten die ze mochten beleven. Het mooiste vond Desi het als het sneeuwde, dan kon ze uren voor het raam zitten en ervan genieten. Dan riep ze Menno en keken ze er samen naar”. Menno glimlacht als hij hieraan terugdenkt. “Desi had ook altijd groot plezier als ze kinderen sneeuwballen zag gooien, net zoals wij dat vanmiddag hebben gedaan. Maar er was één ding dat Desi het állermooiste vond en dat was het kerstfeest. Dan lazen Menno en Desi samen uit de bijbel over de geboorte van de Here Jezus en dan vulde hun hart zich met liefde en dankbaarheid voor Hem. Op kerstavond zaten ze steevast samen, dicht naast elkaar op hun bank, dan waren de kaarsen aan en vertelden ze elkaar hoe dankbaar ze waren voor alle goede dingen. Aan het einde van de avond gaven ze elkaar dan één klein cadeautje…” hier stokt Menno, hij kan even niet verder praten.

Hij denkt aan het laatste kerstfeest dat hij en Desi samen hadden kunnen vieren. Desi was al erg zwak geweest maar traditiegetrouw hadden ze samen bij het kaarslicht in elkanders ogen gekeken en hun dankbaarheid naar de Here Jezus en naar elkaar uitgesproken. Toen ze elkaar aan het einde van die avond hun geschenkje gaven was Menno heel erg emotioneel geworden toen hij zag wat Desi hem gegeven had…

14.

In het pakje zat haar trouwring en daarbij zat een briefje waarin met bibberige letters geschreven stond: Mijn allerliefste Menno, ooit heb ik mijn hand in de jouwe gelegd en heb jij deze ring om mijn vinger geschoven. Daarbij heb ik beloofd om de weg samen met jou verder te gaan, hand in hand zijn we al deze afgelopen jaren door dit leven gegaan. Nu voel ik dat onze weg samen, aan het einde komt en dat onze wegen zich gaan scheiden. Mijn ring, het bewijs van mijn liefde en trouw voor jou, wil ik graag aan jou geven, mijn hand heb ik in die van mijn hemelse Vader gelegd en met Hem ga ik naar Zijn huis. Ik hoop dat je, elke keer dat je deze ring ziet, zult denken aan alle liefde die wij samen mochten delen en dat het Vader God zelf is die op jouw verdere weg met je meegaat. Je bent nooit alleen mijn lieverd. Ik hou zoveel van jou, dankjewel dat ik jouw vrouw mocht zijn!! Menno was gebroken toen hij het gelezen had en hij kon geen woord uitbrengen, alleen maar huilen en zo hadden ze daar samen, heel dicht naast elkaar op die bank, gehuild in elkanders armen. En ook nu krampt er pijn in Menno’s borst als hij al deze dingen overdenkt. Op zijn knie zitten twee kleine meisjes die hem vragend aankijken, “is het verhaal nu uit opa?” vragen ze en Menno zegt moeilijk: “Voor nu wel maar het is nog niet helemaal uit, het laatste stukje ga ik jullie nog een keer vertellen hoor”. De meisjes nemen hier genoegen mee en als papa thuis komt zijn ze alweer helemaal in de ban van het sneeuwballengevecht en de slee. Papa glimlacht om de enthousiaste verhalen en geeft Menno een knikje. “Gezellig dat je er bent Menno”. Menno zit daar op de stoel nog zijn eigen gevecht te voeren tegen zijn emoties maar als de dampende schalen op tafel staan heeft hij zichzelf weer onder controle.


Als Menno die avond in bed ligt zijn er heel veel gedachten die hem uit de slaap houden. Zijn Desi had zo’n kinderlijk geloof gehad, zij was het geweest die hem over zoveel hindernissen heen had geholpen. Elke keer als hij de moed wilde opgeven, als hij het moeilijk had, dan had zij zijn handen gepakt en hem meegetrokken naar de bank. Dan had zij voor hem gebeden, dan had ze warme en bemoedigende woorden gesproken en zijn haren gestreeld. Elke keer opnieuw was hij daardoor getroost en had hij weer nieuwe moed gehad om door te gaan. In de laatste maanden, na hun laatste kerstfeest samen, was het snel bergafwaarts gegaan met Desi en dikwijls had ze niet eens meer de kracht om te spreken. Maar altijd weer als ze zijn ontreddering zag had ze zijn hand gepakt en hem alleen maar aangekeken met haar ogen zo boordevol liefde voor hem, en die verbondenheid, die warmte, dat mist hij toch zo verschrikkelijk! Menno draait zich wild om in zijn bed en merkt dat zijn kussen nat is van zijn tranen. Wanhopig roept hij het uit: “God!! Waar bent u toch!!” Zijn lichaam kromt zich en droge snikken wellen op uit zijn keel. Zó verlaten en alleen voelt hij zich op dit moment, zoveel pijn en verdriet komen in alle hevigheid weer naar boven en er is niemand die zijn hand pakt, niemand die hem kan troosten, niemand…

15.

De volgende morgen voelt Menno zich gebroken, hij heeft nauwelijks geslapen en het verdriet van de afgelopen nacht hangt nog zwaar in de slaapkamer. Hij stapt uit bed en als hij gedoucht en aangekleed is zit hij in zijn eentje aan een sober ontbijt. Troosteloos, ja troosteloos ligt de dag voor hem, de week, de maand, de toekomst… Hij wordt opgeschrikt uit zijn overpeinzingen als er aan zijn keukenraam wordt geklopt. Het vrolijke snuitje van Jetje kijkt door het raam en als ze even later bij hem in de kamer staat ziet ze en voelt ze zijn verdriet. Zo eenzaam zit hij daar in zijn stoel en Jetteke knielt neer bij zijn stoel en pakt zijn hand, “Menno, heb je het zo moeilijk vandaag?” vraagt ze lief. Menno kan alleen maar knikken. “Ik zet even koffie en dan, als je wilt, kunnen we samen praten maar zwijgen mag ook. Als je maar weet dat ik er voor je wil zijn en je wil helpen als ik dat kan”. Ze verdwijnt in de keuken en Menno voelt zich wonderlijk getroost, zoals ze zijn hand had gepakt daarnet, zo deed Desi dat ook. Lieve, lieve Desi…

Even later komt Jetteke met twee dampende kopjes koffie de kamer binnen. Menno heeft zichzelf weer onder controle en begint te vertellen wat hem zo verdrietig maakt. Jetteke begrijpt hem en laat hem vertellen. Menno stort zijn hele hart bij haar uit en dat doet hem zichtbaar goed. Als Jetteke later weer naar huis is gegaan zit Menno daar nog stilletjes voor zich uit te kijken maar zijn gedachten zijn niet meer zo verdrietig, het is dankbaarheid dat in hem naar boven komt. Dankbaarheid omdat hij vannacht gedacht had dat er niemand was die hem kon troosten en nu kwam daar Jetje die, precies zoals Desi dat kon doen, zijn hand had gepakt en naar hem had geluisterd. Wat is hij bevoorrecht met zulke lieve buurtjes en voor het eerst sinds tijden beseft hij hoe dankbaar hij hiervoor is en terwijl deze gedachte zijn hart binnensluipt vouwt hij zijn handen en dankt de Here God. Had hij vannacht nog geroepen naar God, nu had hij Zijn liefde en vertroosting mogen ervaren en het raakt hem diep.

16.

Door de dorpsstraat loopt Menno, uit de grijze lucht dwarrelt nieuwe verse sneeuw en bedekt de straten met een mooi wit kleed. Menno gaat naar de begraafplaats, voordat het kerstavond is wil hij nog een keertje bij het graf van Desi zijn geweest. Ach, hij weet wel dat daar alleen haar lichaam ligt en dat ze zelf bij de Here God mag zijn maar op de één of andere manier geeft het hem toch een beetje troost om naar haar graf te gaan. In zijn hand heeft hij een paar verse hulsttakken, die vond ze altijd zo mooi. Als hij bij het graf is legt hij de takken er op en doet een stapje naar achteren. Heel stil staat hij daar, hij zegt niets, om hem heen is ook alles stil en Menno ervaart het bijna als een heilig moment. Nee, zijn Desi ligt niet in die koude grond, zij is in het warme Vaderhuis. Deze gedachte vertroost Menno, ooit zal ook hij daar zijn intrede mogen doen en zijn geliefde Desi terugvinden, maar voorlopig leeft hij hier en nu. Menno hoort een klein geluidje en ziet nog net een konijntje wegschieten. Hij glimlacht eens en draait zich om, terug naar huis waar de kachel brandt en waar het warm is.

“Opa, opa!!” Twee kinderstemmen klinken buiten en als hij de deur opent rollen Mandy en Joy zowat naar binnen. “Opa, wil jij met ons het kerstfeest vieren? Mama en papa willen dat graag en wij ook”. Menno kijkt vertederd naar de meisjes en zegt dat hij dat heel gezellig zal vinden. “Eerst gaan we dan naar de kerk, ga jij dan mee? En daarna is het bij ons thuis feest!” Menno zegt dat hij mee zal gaan, het is al veel te lang geleden dat hij in de kerk kwam, het laatste jaar is er zoveel gebeurd en had hij niet de behoefte om te gaan maar nu hij daar de beide meisjes zo verwachtingsvol naar hem ziet kijken kan hij niet anders dan toestemmen. “Het lijkt me heerlijk om met jullie samen naar de kerk te gaan en het kerstfeest te vieren” zegt hij en blij rennen de dames naar huis om het goede nieuws te gaan vertellen. Menno kijkt ze glimlachend na en bedenkt zich dat hij ze niet eens een snoepje gegeven heeft.

17.

Het is 24 december, Menno voelt zich de hele dag onrustig, zoveel herinneringen gaan er door zijn hoofd en hij kan maar moeilijk zijn draai vinden. Als het in de middag gaat schemeren en het in de kamer donker begint te worden gaat hij op zoek. In een kast vindt hij wat hij zoekt, een paar kaarsen. In een opwelling pakt hij ze uit de kast en zet ze op de tafel. Nadenkend steekt hij de kaarsen aan en laat zich op de bank zakken. Zo staart hij een hele tijd in de vlammetjes terwijl er ongemerkt tranen langs zijn wangen naar beneden glijden. Menno is het zich nauwelijks bewust, hij is helemaal terug in de tijd. Als hij na een hele tijd opkijkt wordt hij zich opnieuw pijnlijk bewust van de leegte en de eenzaamheid. Hier hadden ze samen moeten zitten, Desi en hij, en nu zit hij hier alleen…

Even geeft hij zich over aan zijn verdriet en dan staat hij op. Hij gaat naar een kast waarvan hij een lade opent. deze lade is het afgelopen jaar niet open geweest omdat daar iets in ligt waarvan hij de aanblik tot nu toe niet had kunnen verdragen. Uit de lade pakt hij met voorzichtige vingers een doosje, met het doosje loopt hij naar de bank en daar maakt hij het open. In het doosje ligt de trouwring van Desi en ook het briefje ligt in het doosje. Hij vouwt het briefje open en leest nogmaals de lieve woorden die Desi hem geschreven had. Hij legt het briefje op de tafel en pakt heel voorzichtig de ring uit het doosje. Tussen beide handen koestert hij deze ring, hij draait hem om en om, hij streelt hem zachtjes en dan neemt hij hem op, houdt hem voor zich, en zegt hardop: “Het is goed Dees, je bent in goede handen, je mag bij de Vader zijn en ik wil je heel bewust ook zelf in die veilige handen overdragen, ik laat je los Deesje…”. Menno buigt zijn hoofd en de tranen druppen door zijn handen heen op zijn kleren. Hij merkt het niet. Hoewel dit verdriet diep uit zijn binnenste komt is er ook een stukje rust dat langzaam maar zeker zijn hart binnenstroomt. Het is laat op de avond als Menno de ring voorzichtig weer, samen met het briefje, in het doosje doet. Hij staat op en zet het doosje weer terug in de la, dan blaast hij de kaarsen uit en gaat naar bed waar de slaap zich al snel over hem ontfermt.

18.

De andere morgen wordt Menno met een rustig gevoel wakker, even heeft hij nodig om te beseffen wat voor een dag het is maar meteen is daar de herinnering aan gisteravond. Het is goed geweest, het was een bewogen maar ook een goede avond geworden. Snel stapt Menno zijn bed uit want er zijn twee kleine buurmeisjes die op hem wachten. Hij kleedt zich netjes aan en besteedt zorg aan zijn uiterlijk. Als hij een poosje later de deur uitstapt, op weg naar het buurhuis, voelt hij zich blij. Mandy en Joy staan al op de uitkijk en rukken de deur open als ze Menno zien aankomen. “Hoi opa, vrolijk kerstfeest” roepen ze in koor. Menno vangt ze op in beide armen en zegt: “Voor jullie ook lieve schatten”. Jetteke en Freddy zijn er ook al helemaal klaar voor en zo stappen ze met z’n vijven naar de kerk. Als Menno de kerk binnenkomt moet hij wel even slikken maar hij vermant zich en als de dominee even later aan zijn preek begint zit hij geboeid te luisteren. Het aloude kerstevangelie wordt gebracht maar voor Menno heeft het toch vandaag een bijzondere lading. Dankbaarheid, dat was het sleutelwoord van hem en Desi en dankbaarheid is wat hij voelt in zijn hart. Dat hij hier mag zitten met deze lieve familie die hem als opa heeft geadopteerd, wat is dat bijzonder. Dankuwel Here God, fluistert zijn hart.

Door de sneeuw gaan ze weer huiswaarts, deze keer geen sneeuwballengevecht want iedereen heeft natuurlijk zijn mooie kleren aan. Handenwrijvend komen ze het warme huis binnen en Jetteke gaat meteen aan de slag om iets lekkers klaar te maken. Het wordt een gezellige dag, echt een feestdag waarvan ook Menno kan genieten. Als ze ‘s avonds heerlijk gegeten hebben mogen de meisjes nog opblijven omdat het feest is. Jetteke neemt het woord en zegt: “Menno, de meisjes hebben me verteld over het verhaal van jou en Desi en daar waren we allemaal eigenlijk wel van onder de indruk. Ik vond het ook heel mooi dat jullie elkaar vertelden waar je dankbaar voor was en daarom wilde ik voorstellen dat we dat hier ook samen doen?” Menno is er stil van, hij is ontroerd en blij verrast knikt hij. “Dat is mooi Jetje, ja dat vind ik mooi”. zegt hij. Als eerste mogen de meisjes vertellen waar ze dankbaar voor zijn en dat is voor hun lieve papa en mama en voor opa Menno, maar ook voor hun mooie speelgoed en voor de sneeuw waar ze lekker in kunnen spelen. Van alles komt er voorbij en de volwassenen luisteren en glimlachend naar. Ach, wat heerlijk ongecompliceerd kunnen deze meiskes genieten. Ook Menno, Jetteke en Freddy vertellen waar ze dankbaar voor zijn en zo is er een goede en warme sfeer daar in de huiskamer. Als iedereen klaar is zegt Joy ineens: “Hé opa, je zou het verhaal toch nog af maken? Het was toch nog niet klaar?” Menno knikt, het kleine ding heeft gelijk.

Als Jetteke iedereen nog een keer van koffie en limonade heeft voorzien komen de meisjes weer ieder aan een kant van Menno zitten. Menno denkt even na en begint dan te vertellen: “Jullie weten dat Desi en ik elkaar altijd een klein cadeautje gaven hè? dat heb ik jullie verteld”. De meisjes knikken. “Nou, het laatste cadeautje wat ik van Desi heb gekregen was heel erg bijzonder”. De kinderen en de volwassenen kijken Menno verwachtingsvol aan en dan vertelt Menno wat hij kreeg en wat Desi op het briefje had geschreven. Jetteke krijgt er tranen van in haar ogen en ook Freddy is erdoor geraakt. Menno vertelt verder: “Het hele jaar heb ik de la, waarin de ring lag, niet open gemaakt want ik werd daar heel erg verdrietig van. Maar gisteravond heb ik dat wel gedaan en ik heb opnieuw het briefje gelezen en de ring vastgehouden. En weet je, toen begreep ik dat Desi gelijk had, ik bén niet alleen, de Here God is altijd bij mij en weet je wat?” Hij kijkt de kring rond en slaat een arm om beide kinderen heen “Dit jaar heb ik een heel groot cadeau gekregen, 2 lieve meisjes die mij opa noemen! Dankjewel daarvoor Mandy en Joy, ik ben heel dankbaar dat ik jullie opa mag zijn!!” Mandy en Joy knuffelen Menno en vinden dat hij een hele lieve “dichtbij” opa is.

Het is een dankbare Menno die laat op de avond naar huis gaat. Hij heeft veel om over na te denken maar nu zijn het geen zware gedachten. Het zijn blijde gedachten omdat hij heeft ingezien hoeveel mooie dingen de Here God het afgelopen jaar op zijn weg heeft gebracht. Dingen die zijn leven kleur geven en die zachtjesaan de troosteloosheid naar de achtergrond dringen. Als hij thuiskomt loopt hij als vanzelf nog even naar de lade en neemt het doosje eruit. Het briefje laat hij opgevouwen, dat kent hij uit zijn hoofd, hij pakt alleen de ring eruit en in het licht van de schemerlamp leest hij wat hij en Desi er, meer dan 40 jaar geleden in hadden laten graveren “Altijd trouw”. Als hij even later in bed ligt denkt hij aan deze woorden en hij beseft dat ze zoveel verder gaan dan alleen de trouw die hij en Desi naar elkaar toe hadden. Deze woorden zijn van toepassing op een God die Zijn Zoon naar de aarde liet gaan om als een klein kindje geboren te worden om later als een volwassen man de straf voor onze zonde op zich te nemen en te sterven aan een kruishout… Altijd trouw! En met deze laatste gedachten valt Menno in slaap, zijn handen nog gevouwen en om zijn mond een stille glimlach.

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail


9 + 3 =