Willekeurige bemoediging
  • Stiekem huilen…
    Eenzaamheid, het is een steeds groter wordend probleem in onze huidige maatschappij. Ik weet uit eigen ervaring dat je niet …
Archief

CD: U bent er altijd

Here is the Music Player. You need to installl flash player to show this cool thing!

2e Kerstverhaal 2018: De oude Gaart.

Winter rotterdam

Het is guur weer en een sneeuwstorm kleurt de straten van Rotterdam wit, het is pas november maar de winter is vroeg dit jaar. Mensen lopen met gebogen hoofd tegen de wind in snel naar huis maar de kinderen genieten in de straten met een heerlijk sneeuwballengevecht. Het is enkele jaren na de 2e wereldoorlog en Nederland is al een aardig eind op weg met het herstel van alles wat kapotgegaan is in de oorlog. Vooral Rotterdam heeft er hard aan moeten werken om opnieuw de stad op te bouwen aangezien een gedeelte van Rotterdam helemaal platgebombardeerd is in de oorlog. Als je nu naar die spelende en joelende kinderen kijkt dan zou je nauwelijks geloven dat er, nog maar een aantal jaren geleden, een verschrikkelijke oorlog gewoed heeft. Ook in de winkelstraten komt langzaamaan weer meer bedrijf en meer en meer winkels openen hun deuren. De mensen zijn vooral nog steeds dankbaar dat de oorlog voorbij is en dat ze weer in vrijheid kunnen leven. Toch heerst er binnen de gezinnen nog veel armoede maar de mensen zijn eraan gewend, ze weten niet beter.

Dwars tegen de sneeuwstorm in worstelt een man zich richting de brug. Hij duwt een broodkar en omdat het door de sneeuw nogal glad geworden is heeft hij er moeite mee om vooruit te komen. Het is de oude Gaart, een bekende verschijning in de straten van Rotterdam. Al jaren komt hij met de broodkar bij de mensen thuis en verkoopt zijn brood… nou ja, het is niet meer zijn brood wat hij verkoopt maar het brood van zijn baas, Karel de Jong. Vroeger, voor de oorlog, had Gaart zijn eigen bakkerij, maar ook die is bij het bombardement totaal verwoest en na de oorlog had hij niet genoeg geld om opnieuw te beginnen. Hij was een goede bakker, voor de oorlog waren de mensen dol op zijn brood en dat zorgde ervoor dat hij genoeg klandizie had en met zijn vrouw goed kon leven van de opbrengst van de bakkerij. De mensen kwamen graag bij hem in de winkel en menig huisvrouw liep met plezier een straatje verder om juist bij hem het brood te kopen. Hijzelf had altijd gebakken en zijn vrouw stond meestal in de winkel. Na sluitingstijd ging hij dan nog op pad om bij diverse klanten het brood thuis te bezorgen, ja hij stond goed aangeschreven bij de mensen. Na de oorlog heeft hij moeite gedaan om aan het werk te komen en Karel, die Gaart ook wel kende, had er zijn voordeel in gezien om Gaart in dienst te nemen. Karel is geen goede baas, hij laat Gaart veel te veel en veel te lang werken en hij betaalt hem te weinig voor al zijn werk. Zo verwacht hij dat Gaart iedere morgen om 4 uur al in de bakkerij bezig is om het brood te bakken en als hij dan klaar is met bakken moet hij met de grote zware kar nog de stad in om het brood bij de mensen te gaan brengen, maar Gaart doet dat trouw iedere dag. Als hij iets te lang onderweg is krijgt hij van Karel de volle laag, die scheldt hem dan uit dat hij veel te sloom is en er veel te lang over doet. Gaart biedt dan zijn verontschuldiging aan en verzekert Karel dat hij de volgende dag sneller zal lopen. Ach, Gaart klaagt niet, hij is blij dat hij werk heeft en van het karige loon kunnen hij en zijn vrouw net rondkomen. Ze verlangen niet meer dan dat.

—–

Eenmaal bij de brug aangeland probeert Gaart met alle macht de kar de brug op te duwen maar de helling is te stijl en de brug te glad, telkens weer glijdt hij terug en ondanks de kou loopt het zweet hem over de rug en hij wist zich het natte voorhoofd af. Aan zijn handen heeft hij handschoenen waarvan de vingers afgeknipt zijn, dat is handig als hij bij de klanten moet afrekenen en het zorgt er nu voor dat hij wat meer grip heeft op de stang waarmee hij de kar voortduwt. Gaart duwt en duwt en telkens weer glijden zijn schoenen weg, maar dan ineens zijn daar twee sterke jongens die hem hebben zien worstelen, ze kennen Gaart en ze willen hem graag helpen en zo duwen ze gedrieën de kar voort totdat hij boven op de brug staat. “Hartelijk dank jongens” zegt Gaart en hij opent het deksel van de kar om de jongens ieder een lekker vers broodje te geven. Dát slaan ze niet af en met een armzwaai en een bedankje lopen de twee verder. Gaart heeft altijd extra broodjes bij zich, die bakt hij thuis en die stopt hij dan in de broodkar om uit te delen. Soms aan een kind of net als nu aan deze twee jongens, maar ook geeft hij ze soms weg aan mensen waarvan hij weet dat ze het erg arm hebben. Ja, iedereen houdt van Gaart.

Gaart houdt even rust daar boven op de brug, pfff hij trilt helemaal van vermoeidheid, hij is tenslotte ook de jongste niet meer. Niet dat hij al echt oud is maar hij nadert wel de 60 en hij is niet meer zo sterk als toen hij nog jonger was.

Een eindje bij hem vandaan staat een jongen van een jaar of 12 al een tijdje naar hem te kijken. Hij had in zijn vuistje gelachen toen hij het gestuntel van Gaart had bekeken en hij was zéker niet van plan om de helpende hand te bieden. Nee hoor, veel te leuk om Gaart te zien zwoegen. Het is Robbie, het zoontje van Karel de Jong en zijn vrouw Anita. Robbie was er met zijn mooie slee op uit gegaan maar er was niemand die met hem wilde sleeën. Robbie is niet populair bij de andere kinderen, dat komt omdat hij altijd erg vervelend is. Op school is het een echte klikspaan en als de meester niet oplet is hij heel gemeen tegen de andere kinderen en doet stiekeme dingen waarvan hij dan een ander kind de schuld van in de schoenen schuift. Hij neemt expres dingen weg en stopt het dan bij een ander in de tas of in het kastje en als dat dan ontdekt wordt is het onschuldige kind de dupe en krijgt straf, waar Robbie dan stilletjes om lacht. Ook pakt hij soms brood weg en eet het dan zelf snel op, waardoor een ander niets te eten heeft. Het kan Robbie allemaal weinig schelen. Thuis wordt hij aan de ene kant enorm verwend, hij is het enige kind en krijgt alles wat hij maar wil hebben, duur speelgoed, een mooie slee, hij mag uit de winkel alles eten wat hij lust en zijn ouders letten er helemaal niet op wat hij daar allemaal weg pakt. Maar anderzijds hebben ze het zo druk dat ze weinig persoonlijke aandacht voor hem hebben waardoor Robbie zich vaak eenzaam voelt. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat hij een onuitstaanbaar ventje is geworden. Nu dus ook weer, niemand wilde met hem spelen en zo stond hij daar in zijn eentje het getob van Gaart te bekijken. Teleurgesteld en geërgerd had hij gezien hoe de twee hulpvaardige jongens waren gekomen om de broodkar de brug op te krijgen, jammer hoor.

Na eventjes gerust te hebben pakt Gaart de stang van de kar weer vast en duwt hem voort, heel voorzichtig dit keer want het gaat nu naar beneden, de brug weer af naar de straat waar hij een paar klanten heeft. Robbie, die hem nog steeds staat te bekijken, krijgt ineens een heel lelijk plannetje in zijn hoofd, hij zal die onnozele knecht van zijn pa eens flink te pakken nemen. Hij rent zo snel hij kan naar Gaart toe en geeft de kar een fikse duw en dan gaat het mis, de kar begint te glijden en hoe Gaart ook probeert, hij kan hem niet houden, de stang glipt uit zijn handen en de kar maakt meer en meer vaart. “Kijk uit!!” schreeuwt hij naar een paar voorbijgangers die snel opzij springen als ze het gevaarte aan zien komen. Robbie staat het schaterlachend te bekijken, oh wat een lol heeft hij. Onderaan de brug glijdt de kar nog verder totdat hij met een grote klap tot stilstand komt tegen een lantaarnpaal. De zware houten kar versplintert en het brood vliegt alle kanten uit. Zo snel als hij kan komt Gaart de brug af, half glijdend, half lopend en als hij bij de kar komt schieten de tranen hem zomaar in de ogen. Oohhh nee!! alles kapot… Hulpeloos staat hij daar en staart naar de ravage, niet wetend wat te doen. Oei, daar schrikt Robbie nu toch wel even van en zo snel als hij kan maakt hij zich uit de voeten.

—–

Omstanders, en mensen die in de huizen vlakbij wonen, komen om te kijken waar die klap vandaan kwam en als ze de kapotte kar zien en al het brood dat daar zomaar in de sneeuw ligt hebben ze te doen met de oude Gaart. Vele bereidvaardige handen pakken snel de broden op en een paar mannen kijken of de kar nog provisorisch te herstellen is maar dat is ijdele hoop, het ding is totaal onbruikbaar geworden. Gaart zegt tegen de omstanders dat ze het brood maar moeten verdelen, hij kan het zo toch niet meer verkopen nu het in de sneeuw gelegen heeft maar vies is het niet geworden en de mensen kunnen het nog best eten. Hoewel een gratis brood nooit weg is hebben de mensen er nu toch een dubbel gevoel bij, ze hebben medelijden met de zo hardwerkende, altijd vriendelijke Gaart. Twee sterke mannen zijn zo vriendelijk om Gaart te helpen de kapotte broodkar bij de bakkerij van de baas te krijgen en na hem neergezet te hebben gaan ze, na een zeer hartelijk bedankje van Gaart, weer naar hun huis. Met lood in zijn schoenen betreedt Gaart de bakkerij die aan de achterkant van de winkel is. In de winkel worden, door de vrouw van de baas, de meer luxe artikelen verkocht zoals koekjes, bonbons en gebakjes en omdat Gaart maar gewoon personeel is mag hij niet via de winkeldeur naar binnen maar moet hij via de achteringang gaan. Hij opent de deur en zoekt de baas op die in het kleine kantoortje zit.

—–

Karel, die van het hele voorval natuurlijk niets weet, zit nietsvermoedend achter zijn bureau te werken. Hij schrikt als Gaart daar, na een klop op de deur, zo ineens voor zijn neus staat, hij had hem nog lang niet verwacht. “Wat doe jij hier zo vroeg?” vraagt hij nors. Gaart is duidelijk zenuwachtig en stamelend vertelt hij wat er gebeurd is maar hij laat Robbie erbuiten, hij vindt het niet fair om de jongen te verklikken. Waarschijnlijk heeft hij het niet kwaad bedoeld en zo neemt Gaart de schuld volledig op zich. “Wát?? Ben je nou helemáál gek geworden?!!” buldert Karel woest. Met grote stappen beent hij zijn kantoor uit om de schade aan de kar te gaan bekijken en als hij die kapotte broodkar eenmaal gezien heeft is hij helemaal niet meer te houden. Hij gaat tekeer en scheldt Gaart uit voor alles wat lelijk is en Gaart? Gaart zegt niets. Geen woord spreekt hij, met gebogen hoofd laat hij de tirade over zich heen komen, de tranen springen hem in de ogen maar die slikt hij manmoedig weg. Als de baas even stil is waagt hij te zeggen: “Het was een ongeluk baas, het was zo vreselijk glad en de wagen werd onhoudbaar”. Opnieuw ontsteekt Karel in woede en hij verzekert Gaart dat die hem de kar gaat vergoeden, elke cent zal hij terugbetalen!! Gaart knikt en zegt dat hij heel hard zal werken om de schade te betalen maar Karel is nog niet klaar. “Je bent ontslagen!! Hoor je? Jij nietsnut, ga maar een andere baas ongelukkig maken maar betalen zal je!!!” Geschrokken kijkt Gaart Karel aan maar hij ziet aan het gezicht van de ander dat hier geen woorden meer helpen. “Je kunt meteen je biezen pakken, ik wil je hier niet meer zien alleen om elke week je geld hier te brengen voor de kapotte kar en het loon van deze week houd ik ook meteen in!!” Gaart is met stomheid geslagen en met gebogen schouders loopt hij het kantoor uit en gaat naar huis. Als hij buiten komt ziet hij daar Robbie staan die stiekem heeft meegeluisterd en hoewel hij best geschrokken is van wat hij allemaal veroorzaakt heeft doet hij alsof het hem niets kan schelen en steekt met een lelijke grijns zijn tong uit naar Gaart waarna hij snel naar binnen glipt.

—–

Als Gaart thuiskomt zit Nora, zijn vrouw, met een breiwerkje bij de brandende kolenkachel. “Ben je al thuis?” vraagt ze verbaasd, maar dan ziet ze zijn ontredderde gezicht en meteen legt ze haar breiwerk neer en gaat naar hem toe. “wat is er Gaart? Ik zie aan je gezicht dat er iets ergs gebeurd is, wat is er?” vraagt ze nogmaals dringend. Gaart heeft het gevoel dat zijn benen hem niet meer kunnen dragen en laat zich zwaar in zijn stoel vallen. Hij schudt zijn hoofd en kijkt Nora met ogen boordevol verdriet aan. Dan vertelt hij het hele verhaal en Nora, die bij hem op de leuning was gaan zitten, legt liefdevol haar arm om hem heen. “Hoe komt die jongen erbij om dit te doen, het was niet jouw schuld Gaart” zegt ze. “Nee, maar hoe moeten we nou verder? Waar vind ik een nieuwe baan? en waar moeten we van leven als ik al mijn geld bij Karel moet gaan brengen?” Gaart vraagt het wanhopig en Nora weet het ook niet, ook zij is van binnen verdrietig en bang voor de toekomst maar ze wil het Gaart nu niet laten merken, hij is al genoeg van streek door het gebeurde. Ze knielt bij hem neer, pakt zijn handen, kijkt hem liefdevol aan en zegt: “Zullen we eerst samen bidden lieverd? De Here God was erbij en Hij weet altijd weer een uitweg en een oplossing als we onze problemen bij Hem brengen”. Gaart knikt en samen sluiten ze hun ogen en brengen deze grote nood bij de Here God.

De andere morgen is Gaart al vroeg op pad om werk te gaan zoeken. Hij gaat bij diverse winkels langs en het duurt niet lang of hij heeft een nieuw plekje gevonden om te werken. Hij weet het zelf niet eens maar hij heeft in de loop der jaren een goede naam gekregen door zijn trouw en vriendelijkheid en hij is een aanwinst voor elk bedrijf. En zo begint hij als hoefsmid bij baas Dirk. Dirk van Loon is een eerlijke, vrolijke man en hij draagt Gaart een warm hart toe. Hij had een goed gesprek met hem gehad en begrepen dat Karel de Jong hem op staande voet ontslagen had door een ongeluk dat niet eens de schuld van Gaart was, het was door het weer gekomen, door de gladde brug, iets wat iedereen had kunnen overkomen. Maar Gaart had zijn vroegere baas niet zwartgemaakt en ook hier had hij Robbie niet verraden,  hij had alleen verteld dat hij de wagen had laten glippen en dat die nu helemaal kapot was waardoor de baas hem, Gaart, ook niet meer kon gebruiken. Jaja, Dirk denkt er het zijne van, hij kent de zure Karel en hij kan zich zo ongeveer wel denken wat er gepasseerd is. Nou, hij is maar wat blij met Gaart die het werk al snel onder de knie heeft en een harde werker is. De klanten van Dirk zijn verbaasd om Gaart hier aan te treffen maar de manier waarop hij de mensen én de paarden behandelt doet hen goed en ze zijn allemaal zeer tevreden over hem. Dirk is een goede baas en hij betaalt Gaart een eerlijk loon, waar Gaart overigens in eerste instantie zeer verbaasd over was, zoveel loon was hij niet gewend maar hij is er wél blij mee.

Die eerste zaterdag dat hij zijn loon heeft ontvangen loopt hij meteen naar de bakkerij van Karel. Hij klopt aan de achterdeur en als die geopend wordt door Karel zelf overhandigt Gaart zijn hele weekloon. “Alstublieft baas”, en hij tikt nog even aan zijn pet, draait zich om en gaat naar huis Karel in verbazing achterlatend. Krijgt dat miezerige mannetje zóveel loon? Dat verdient’ie helemaal niet, enfin, hij loopt terug naar zijn kantoor en bergt het geld weg.

Als Gaart thuiskomt kijkt Nora hem warm aan, “kom lekker zitten bij de kachel lieverd” zegt ze, “ik zet even een lekker vers bakje koffie”. Gaart gaat zitten en is blij dat hij niet hoeft te vertellen van zijn gang naar Karel en het hele loon dat hij hem moest overhandigen. Nora weet het immers en ze begrijpt heel goed dat het heel moeilijk is om al het verdiende geld af te dragen. Gaart maakt zich zorgen over hoe ze alles moeten betalen en als ze eerlijk is maakt zij zich er net zo goed zorgen over, maar als ze samen zijn proberen ze er niet teveel over te praten en steevast bidden ze ‘s avonds samen of de Here God uitkomst wil geven. Een uurtje later gaan ze aan tafel, Nora heeft een eenvoudig maar lekker maal gekookt en het smaakt voortreffelijk.

De dagen van Gaart zijn anders dan voorheen, zo hoeft hij niet meer midden in de nacht op te staan om brood te gaan bakken en hoeft hij ook niet meer na het bakken de straat nog op met de broodkar. Inplaats daarvan werkt hij nu redelijke uren, hij begint vroeg in de morgen tot laat in de middag maar hij doet het met alle liefde voor Dirk die een goede baas voor hem is. Tussen de middag mag hij in de grote woonkeuken van het huis van Dirk, dat aan de stalhouderij vastzit, zijn boterhammen opeten en dan krijgt hij van de vrouw van Dirk altijd een beker melk of een kopje thee, net wat hij wil. En als hij dan gegeten heeft gaat Dirk zelf eten, zo wisselen ze elkaar af. Ja, Gaart heeft het goed bij Dirk en hij is blij dat hij hier mag werken.

—–

De koude houdt aan en het vriest nu al een paar weken, op de vaart schaatsen de kinderen en over de sneeuw trekken de ouders hun kinderen op geïmproviseerde sleetjes voort. Als Gaart door de straten loopt vliegen de sneeuwballen hem soms om de oren en af en toe gooit hij er ook een paar terug, heerlijk zoals de jeugd weer vrij en blij kan zijn. Eenmaal thuis wrijft hij zijn handen om ze een beetje te warmen want ze zijn wel koud geworden van die sneeuwballen. Als hij wat later de kolenkit gaat vullen ziet hij dat de voorraad kolen angstwekkend is geslonken en hij ziet dat Nora zorgelijk kijkt. Als hij vraagt wat er is vertelt ze hem dat het eten bijna op is. Ze hadden een grote juten zak met aardappels en ook had ze een voorraad ingemaakte groente en Gaart had bij zijn vorige baas een grote baal meel gekocht, dat deed hij altijd, zodat hij thuis zelf brood kon bakken want van de baas mocht hij beslist nooit iets meenemen, liever nog gooide Karel het brood dat over was weg. Maar nu, nu ze al een paar weken geen inkomen meer hebben, raken de voorraden zo langzaamaan op. “Maak je maar geen zorgen Nora, ik vind er wel wat op” zegt Gaart en hij geeft haar liefdevol een kus. Ze houden zoveel van elkaar die twee.

—–

Daar waar Gaart niets tegen de buitenwereld zegt over zijn ontslag en de armoede thuis, doet Karel juist het tegendeel. Tegen een ieder die het maar wil horen bazuint hij rond dat hij Gaart heeft ontslagen omdat die zijn kar kapot had gemaakt en hij vertelt er triomfantelijk bij dat Gaart elke week zijn loon moet brengen, net zolang tot Karel een nieuwe kar kan kopen. De klanten, die door de loop der jaren stuk voor stuk van Gaart zijn gaan houden, zijn ontzet. Wat is deze man hard, hoe kan hij zó oneerlijk zijn? Het is de oude mevrouw de Wit die, als zij het verhaal uit de mond van Karel hoort, zich niet stil kan houden. “Maar bakker, wat oneerlijk! Gaart heeft hier jarenlang zo hard voor u gewerkt en door zoiets, iets dat niet eens zijn schuld is, ontslaat u hem? Hier kan ik niet over uit en ik vind het een zeer kwalijke zaak!!” zegt ze, en ze laat haar koekjes en de bonbons, die Karel zijn vrouw net voor haar heeft afgewogen, liggen en gaat er zonder nog een woord te zeggen vandoor.

Met driftige stappen loopt mevrouw de Wit richting haar huis als ze een kennis aan ziet komen. Ze houdt de kennis staande en vertelt, nog steeds verbolgen, het verhaal dat Karel haar gedaan had. Ook de kennis is ontzet en het duurt niet lang of de hele wijk weet wat er gebeurd is. In diverse huisgezinnen wordt er gesproken over de vriendelijke oude Gaart en zijn vrouw en men beseft dat hij momenteel dus totaal geen inkomsten heeft, ondanks dat hij hard werkt. Mevrouw de Wit heeft aan haar buren voorgesteld om Gaart en zijn vrouw wat toe te stoppen, oh, wel ongezien want anders zouden ze het niet eens willen, ze willen niemand tot last zijn. En zo kan het gebeuren dat er regelmatig zomaar boodschappen op de stoep staan, dat de kolenboer kolen komt brengen en zegt dat ze al betaald zijn maar dat hij niet meer weet door wie. Er wordt voorzien in aardappels en groenten en de molenaar doneert gul een zak meel. Gaart en zijn vrouw zijn diep onder de indruk van al deze goede gaven en ze danken de Here God ervoor. Met de huisbaas hebben ze gesproken, hem hebben ze wel hun situatie uitgelegd en hij heeft er alle begrip voor, tenslotte betalen deze mensen altijd keurig op tijd hun huur en als ze nu even moeilijk zitten en uitstel willen dan maakt hij er geen probleem van. En zo glijdt de bezorgde trek weg van de gezichten van Gaart en Nora en verheugen ze zich over zoveel goedheid.

—–

Karel en zijn vrouw merken dat er de laatste tijd steeds minder klanten komen, ze begrijpen er niets van, hun brood is toch goed? Ze hebben een nieuwe broodbakker aangenomen maar omdat hij het niet pikte dat hij óók nog achter de nieuwe broodkar moest lopen heeft Karel dan maar noodgedwongen eigenhandig die taak op zich genomen. Avond aan avond komt hij klagerig thuis, hij heeft last van zijn voeten, zijn rug, hij heeft het koud, hij is moe enzovoort enzovoort. Zijn vrouw wordt kregelig van zijn geklaag en zegt: “dan had je Gaart maar niet moeten ontslaan”. Karel doet er het zwijgen toe, hij beseft allang dat hij een grove fout gemaakt heeft. O niet dat hij spijt heeft omdat hij Gaart onheus behandeld heeft, nee hij baalt ervan dat hij nu zelf achter de kar moet lopen én dat de nieuwe bakker geen genoegen neemt met het kleine hongerloontje dat hij Gaart ook altijd uitbetaalde, terwijl die er nog veel meer werk voor verrichte. Ja, Karel heeft zichzelf lelijk in de vingers gesneden en daar is hij inmiddels wel achter gekomen.

Als Gaart aan het einde van de week zijn loon komt brengen zegt karel zo langs zijn neus weg: “tja, je zult wel balen dat je hier niet meer werkt hè? nou eigen schuld hoor”. Gaart kijkt hem open aan en antwoordt dat hij het heel erg naar zijn zin heeft in zijn nieuwe baan en dat hij ervan houdt met de paarden te werken en de klanten te woord te staan. Karel kijkt hem afgunstig aan en bedenkt zich dat Gaart dus duidelijk niet terug verlangt naar de bakkerij. Dat is een lelijke streep door de rekening van Karel die had willen proberen hem terug te krijgen voor hetzelfde hongerloontje als voorheen. Hij had gedacht dat Gaart niets liever deed dan broodbakken en dat hij dát toch wel heel erg zou missen maar niets is minder waar. Boos kijkt hij Gaart aan, en zegt: “nou, vooral veel plezier dan maar met die stinkbeesten”. Als Karel de volgende dag weer zelf met zijn broodkar op pad is is hij vreselijk chagrijnig, bah wat een rotwerk is dit, en het is ook veel te koud! Hij bedenkt dat hij voortaan Robbie wel mee kan nemen, die kan best al helpen, ja dat is een goed plan.

Als Robbie van zijn vader hoort dat hij voortaan mee moet om de broodkar te helpen duwen en het brood bij de mensen te brengen is hij woest. Hij schreeuwt tegen zijn vader dat hij er niet over denkt om mee te gaan!! “Ga maar lekker zelf, jij hebt Gaart toch ontslagen? Het is gewoon je eigen schuld!!” brult hij brutaal. Dát pikt zijn vader niet en met een fikse klap op zijn broek duwt hij hem de trap op naar zijn kamer. Op zijn kamer laat Robbie zich met een grote knal op het bed vallen en in zijn woede gooit hij alle boeken van het plankje boven zijn bed met veel lawaai door de kamer. “Stomme vent” prevelt hij en hij bedenkt allerlei plannetjes om onder het werk uit te komen. De volgende dag echter merkt hij wel dat hem dát niet gaat lukken. Als hij uit school komt staat zijn vader hem al op te wachten en nadat hij even binnen iets te drinken heeft genomen moet hij mee op pad. De boosheid straalt van het gezicht van de jongen af en als hij vriendjes van school lekker buiten ziet spelen dan is hij jaloers én hij schaamt zich dat hij, het rijke zoontje van de bakker die alles kreeg wat hij wilde, hier nu met zijn vader achter die stomme broodkar loopt te duwen. Hij ziet de verstolen grijns van de kinderen als ze hem zien duwen en hij hoort het gegiechel en gefluister achter hun rug als ze hen voorbij gaan en hij bezweert zichzelf dat hij wel wraak zal nemen op die rotjongens!!

Daar komen ze bij de brug, Karel en Robbie proberen wanhopig om de kar naar boven te duwen, het lukt niet, de brug is te glad en, net als Gaart laatst, glijden ook hun schoenen telkens weg maar hoewel er genoeg mensen zijn die hen zien worstelen is er nu niemand die even een helpende hand biedt. De mensen mogen Karel niet en Robbie evenmin en zo duurt het wel een half uur voor ze bovenaan de brug zijn. “Pfff Robbie, je kan toch wel een beetje harder duwen?” zegt Karel boos tegen zijn zoon. Robbie kijkt hem aan met grote boze ogen en roept brutaal dat hij zelf ook niet hard genoeg duwt. Karel doet er het zwijgen toe omdat hij niet op straat een hele scène wil uitlokken maar zodra ze thuiskomen wordt Robbie voor straf meteen naar zijn kamer gestuurd. Robbie is zo moe dat hij, met zijn kleren nog aan, bovenop zijn dekens in slaap valt en zo vindt moeder hem als ze hem een half uurtje later zijn eten komt brengen.

—–

Als Robbie de andere morgen wakker wordt herinnert hij zich nog vaag dat mama hem wakker had gemaakt en dat hij iets te eten had gekregen, maar hij was totaal uitgeput en had zich snel uitgekleed en was verder gaan slapen. Hij rekt zich nog even uit en als hij zijn moeder hoort roepen dat het tijd is om op te staan gaat hij zich wassen en aankleden. Beneden krijgt hij een lekker ontbijt en dan pakt hij zijn tas om naar school te gaan. Vader komt ook nog even de keuken in en zegt op barse toon dat hij gelijk na school naar huis moet komen zodat ze met de broodkar weg kunnen. Robbie smeekt zijn vader en moeder of hij niet een keertje mag overslaan maar ze zijn onverbiddelijk, nee, hij móét mee om het brood bij de mensen te brengen en zo gaat Robbie met een boos hart naar school.

Op school zijn er een paar jongens die hem plagen omdat ze hem gezien hebben met zijn vader. “Hé pappies jong, moet je vandaag weer mee om de kar te duwen voor je slome pa?” vragen ze en als ze zijn boze gezicht zien rennen ze snel de klas in, in de klas durft Robbie toch niets te doen. Maar Robbie zint op wraak, hij pikt dit niet, hij zál die jongens terugpakken!!

Als alle kinderen in het speelkwartier buiten op het plein zijn en ze lekker aan het sneeuwballen gooien zijn gaat Robbie naar de meester en vraagt hem of hij even binnen naar het toilet mag. Dat mag natuurlijk en Robbie verdwijnt snel naar binnen. In de gang kijkt hij spiedend om zich heen en als hij niemand ziet glipt hij snel het lokaal binnen en gaat meteen naar de tas van de meester. Hij doorzoekt de tas en als hij de portemonnee van de meester ziet pakt hij hem, maakt hem open en haalt er een paar briefjes van 10 gulden uit. Snel stopt hij de portemonnee terug en het geld legt hij achter in het kastje van Wim, de jongen die hem, volgens hem, het hardste pest. Zo, dat had hij maar mooi gefikst en met een tevreden grijns op zijn gezicht gaat hij terug naar het schoolplein.

Die dag gebeurt er verder niets, meester heeft nog niet gezien dat er geld uit zijn portemonnee weg is want onder de les heeft hij die natuurlijk niet nodig. Robbie heeft geduld, hij verkneukelt zich al bij voorbaat over het moment dat het uit zal komen. Nou, daar hoeft hij niet lang op te wachten. Als de kinderen de andere morgen in het lokaal zitten en ze de dag met gebed begonnen zijn kijkt meester met een ernstig gezicht de klas rond. “Jongens, ik heb iets met jullie te bespreken” zegt hij. “Er is gisteren geld uit mijn portemonnee weggenomen en dat kan alleen hier gebeurd zijn want toen ik van hier naar huis reed ben ik even langs de bloemenzaak gereden om voor mijn vrouw een bosje bloemen te halen en toen ik wilde betalen zag ik dat er 30 gulden weg was”. Meester kijkt de kring rond en ziet de geschrokken gezichten van de kinderen. Ook Robbie kijkt geschrokken, haha, nou zul je het hebben denkt hij ,maar hij kan zijn gezicht in de plooi houden en net doen of ook hij geschrokken is. “Is er iemand van jullie die het geld weggenomen heeft?” vraagt meester. “Het kan zijn dat jullie het nodig hadden voor iets belangrijks en dat je dit als een oplossing zag?” Hoofdschuddend kijken de kinderen hem aan, nee niemand heeft het gedaan en als de meester langs de gezichten kijkt die naar hem toegewend zijn vindt hij het ook eigenlijk ondenkbaar dat één van deze kinderen zijn geld gestolen zou hebben maar het is hem toch een raadsel, hij wist zeker dat het geld ‘s morgens nog in zijn portemonnee zat en het was later toch echt weg. “Ik zal erover nadenken wat ik hier verder mee moet maar nu beginnen we eerst maar met de les” zegt hij en hij begint de rekensommen op het bord te schrijven.

Robbie is met zijn gedachten niet bij de sommen, hij verzint hoe hij meester zo ver kan krijgen dat hij de “dief” vindt en hij krijgt een plannetje. Als ze na het speelkwartier weer in de klas zitten steekt Robbie zijn vinger op. “Ja Robbie, wat is er?” vraagt de meester. “Meester, ik vind het vervelend dat u zou denken dat iemand van ons uw geld gestolen zou hebben terwijl we dat echt niet gedaan hebben. Maar om het te bewijzen zou u dan toch al onze kastjes na kunnen kijken?” zegt hij schijnheilig. Ja, de klas is het meteen met hem eens, dát is een goed idee want ieder kind weet van zichzelf dat hij of zij het niet gedaan heeft. De meester vindt het eigenlijk een onaangenaam idee want hij vertrouwt de kinderen, maar als ze erop aandringen gaat hij de rijen af om de kastjes te bekijken. Het ene na het andere kind maakt plaats zodat de meester de kastjes kan leeghalen maar nergens vindt de meester zijn geld. Ook Robbie zijn kastje bevat geen geld maar dan komt meester bij Wim, ook Wim maakt gewillig plaats voor de meester want tenslotte heeft hij een schoon geweten. De meester buigt zich over het kastje, haalt er een paar dingen uit en dan, helemaal achterin voelt hij wat papier, hij haalt het eruit en tot zijn verbijstering zijn het 3 briefjes van 10 gulden. Als Wim het ziet wordt hij spierwit en trilt over zijn hele lichaam. “Ik heb het écht niet gedaan meester” zegt hij bijna huilend en hij kijkt meester smekend aan. De meester weet er niet goed raad mee, Wim kijkt hem zo eerlijk aan maar het geld lag wél in zijn kastje. “We zullen er na schooltijd samen over praten Wim” zegt hij en omdat de aandacht van de kinderen nu toch weg is laat hij ze het laatste uur maar tekenen.

—–

Als de bel gaat rennen alle kinderen naar buiten behalve Wim die stuurs in zijn bank blijft zitten. Robbie loopt met een triomfantelijke grijns langs hem heen naar buiten, zo die heeft zijn verdiende loon, denkt hij en snel loopt hij naar huis om met zijn vader die gehate broodkar weer te gaan duwen. De grijns verdwijnt van zijn gezicht en als een donderwolk komt hij even later thuis binnen waar hij snel een beker melk en een grote koek pakt voordat hij naar zijn pa loopt.

Wim zit met neergeslagen ogen te wachten tot de meester bij hem komt. “Vertel me eens Wim, hoe kan het dat ik het geld in jouw kastje vond? Had je het ergens voor nodig? Hadden ze het bij jou thuis nodig? Vertel het me maar jongen, ik ben niet boos op je, ik ben alleen verbaasd” zegt de meester. Wim kijkt hem open en eerlijk aan en zegt dat hij het écht niet weet. Hij heeft dat geld niet gepakt en hoe het in zijn kastje is gekomen weet hij niet. Voor de meester is het een raadsel, Wim lijkt echt eerlijk en oprecht maar hoe kan dat dan? Hij laat Wim naar huis gaan en zegt dat hij er nog wel verder over na zal denken maar dat hij Wim wel gelooft. Wim is opgelucht en gaat snel de klas uit, regelrecht naar huis waar hij het verhaal in geuren en kleuren aan zijn ouders vertelt.

—–

Als Robbie de andere morgen op school komt is hij heel benieuwd hoe het met Wim is afgelopen. Oh hij hoopt toch zo dat hij misschien wel door de politie is opgepakt of dat hij van school is gestuurd. Groot is zijn verbazing en teleurstelling als hij Wim gewoon op het schoolplein ziet lopen en hij loopt ook nog gewoon te dollen met een paar andere jongens, hoe kan dat nou? Eenmaal in de klas begint de meester met gebed zoals ze dat elke dag doen maar daarna pakt hij zijn stoel en vraagt de kinderen om in een kring bij hem te komen zitten. Nieuwsgierig pakken ze hun stoel en maken een kring. “Jongens, ik heb gisteren met Wim gesproken en hij weet ook niet hoe het geld in zijn kastje terecht is gekomen, hij heeft het niet weggepakt uit mijn portemonnee”. “Wát? En u gelooft dat meester? Het geld lag toch in zijn kastje? Hij liegt! Hij liegt!!” Robbie schreeuwt het uit, zijn teleurstelling is zó groot dat hij zichzelf niet meer in de hand heeft en alle voorzichtigheid uit het oog verliest. Alle kinderen kijken geschokt naar Robbie, hij beschuldigt Wim zomaar van liegen, en ook de meester luistert verbaasd naar de uitbarsting van Robbie. Haastig neemt hij het woord en zegt dat hij er nu niet verder over wil praten met ze maar dat hij het nog verder zal uitzoeken. De kinderen nemen hun stoelen mee en gaan aan hun tafeltje zitten om hun werk te maken. Mokkend gaat ook Robbie naar zijn tafeltje, hij is boos omdat zijn gemene plannetje niet de uitwerking heeft gehad die hij zich voorstelde maar verder voelt hij zich niet bang want hij weet zeker dat de meester er toch nooit achter komt dat hij het gedaan heeft.

Terwijl de kinderen rustig aan het werk zijn gaan de gedachten van de meester terug naar de heftige uitbarsting van Robbie, waarom had die jongen zo wild gereageerd? Hij snapt er niets van. De hele verdere dag blijft hij erover nadenken, wie zou het toch gedaan hebben en heeft hij ergens iets gemist? Is er iets dat hij zich zou moeten herinneren? Is er ergens een aanwijzing over wie het geld weggenomen heeft? De meester komt er niet uit.

Het wordt nog kouder, het vriest streng en als Gaart naar de stalhouderij gaat loopt hij diep weggedoken in zijn warme jas door de straat. Wat is hij blij dat hij nu niet in die kou achter de broodkar hoeft te lopen. Het broodbakken mist hij wel maar het duwen achter de kar niet. Hij heeft al een paar keer gezien dat Karel de Jong nu zelf achter de kar loopt en ook dat Robbie bij hem is. Volgens hem loopt de jongen niet vrijwillig mee, het gezicht van de jongen is steevast boos en opstandig en ach, Gaart heeft medelijden met hem. In de tijd dat hij bij Karel heeft gewerkt heeft hij dikwijls gemerkt dat er bijna geen tijd voor de jongen was.

Gaart is al vroeg begonnen en nu, net na 8 uur is hij door Dirk eropuit gestuurd om een paard op te halen bij één van de klanten. Het paard heeft nieuwe hoefijzers nodig en de klant kan hem zelf niet brengen. Nou geen probleem voor Gaart, hij gaat gewillig op weg om het paard op te halen. Hij is nog maar nauwelijks de straat uit of hij ziet dat Robbie hem, op weg naar school, tegemoet komt lopen. Robbie heeft hem niet meteen in de gaten maar als hij hem ziet maakt hij een schrikbeweging en kijkt snel om zich heen of hij ergens een zijstraat in kan glippen maar er is geen mogelijkheid tot ontsnappen en hij moet wel langs Gaart. Als ze elkaar dicht genaderd zijn groet Gaart de jongen vriendelijk. “Hallo Robbie, op weg naar school jongen? Het is koud hè?” zegt hij. Robbie zet grote ogen op, hij heeft een schuldig geweten en had deze vriendelijkheid niet verwacht. Hij stottert een paar woorden en maakt dan dat hij wegkomt. Gaart kijkt hem nog even na…

Op school lijkt alles gewoon maar er is een onderhuidse spanning die alle kinderen voelen. Het raadsel van het gestolen geld is nog niet opgelost en dat zorgt voor allerlei gissingen en verdenkingen. Ook de meester heeft nog steeds geen idee wat er nou toch gebeurd is tótdat er in het speelkwartier één van de meisjes komt vragen of ze even naar binnen mag om naar het toilet te gaan. Ineens is daar de herinnering aan de dag dat het geld verdween, het was Robbie geweest die toen had gevraagd of hij naar binnen mocht. Het was ook Robbie geweest die had voorgesteld om de kastjes te doorzoeken en het was wederom Robbie geweest die zo heftig had gereageerd toen de meester had gezegd dat hij Wim geloofde. Er komt een diepe denkrimpel boven de ogen van de meester, hij heeft nu wel een vermoeden en als de bel aan het einde van de schooldag gaat dan vraagt de meester of Robbie even wil nablijven. Robbie schrikt, wat wil de meester van hem? Hij probeert nog om weg te komen door te zeggen dat hij met zijn vader mee moet om de broodkar te duwen maar meester is onverbiddelijk en zegt dat het niet lang hoeft te duren. Onwillig blijft hij noodgedwongen zitten en dan komt de meester bij hem zitten en kijkt hem aan. “Robbie, heb jij het geld uit mijn tas genomen?” vraagt hij. Robbie verbleekt en schudt wild zijn hoofd. “Natuurlijk niet, u denkt toch zeker niet dat ik een dief ben? Mijn vader heeft geld genoeg, ik heb uw geld helemaal niet nodig” roept hij. De meester blijft rustig en terwijl hij Robbie blijft aankijken zegt hij: “Ik weet dat je het niet het weggenomen om er iets van te kopen Robbie, maar ik denk dat je het hebt weggenomen om opzettelijk Wim in de val te lokken, zo is het toch jongen?” vraagt de meester, en hij vertelt hoe hij erachter is gekomen dat het Robbie geweest moet zijn. Ja, daar kan Robbie niet tegenop en met gebogen hoofd bekent hij schuld. De meester begrijpt niet waarom Robbie het gedaan heeft en als hij vriendelijk doorvraagt kan Robbie zich niet meer groothouden. Hij vertelt aan de meester hoe hij nooit mee mag spelen, dat de andere kinderen hem niet mogen en dat ze hem buiten sluiten. Hij vertelt dat ze hem stiekem uitlachen als hij met de broodkar meeloopt en dat hij het hen betaald wilde zetten en daarom dit plan bedacht had. Als hij stilvalt zegt de meester niets, hij denkt na en bedenkt zich dat hij daar ook schuld aan heeft. Hij had beter op moeten letten en moeten merken dat de anderen Robbie links laten liggen. Toegegeven, Robbie was niet gemakkelijk maar met een beetje bemiddeling was het vast niet zo ver gekomen als nu het geval was.

Robbie die met neergeslagen ogen zijn verhaal had gedaan gluurt voorzichtig naar meesters gezicht. De meester begint te praten en spreekt zijn gedachten uit. Robbie kijkt verbaasd, krijgt hij niet op zijn kop? Hij snapt er niks van, hij had angst gevoeld dat de meester nu misschien wel met hem naar de politie zou gaan omdat hij gestolen had maar niets van dat alles. De meester praat rustig met hem, hij zegt dat hij kan begrijpen dat Robbie zich eenzaam voelde doordat niemand met hem om wilde gaan maar dat wat hij nu gedaan had natuurlijk niet goed was. De meester wil ook dat Robbie de andere dag voor de klas zijn excuses aan Wim zal aanbieden en verder wil de meester zelf vanavond bij Robbie thuis komen om met zijn ouders hierover te praten. Het valt Robbie niet mee, maar alles is beter dan naar de politie te moeten en zo gaat hij even later naar huis om daar alvast te vertellen van wat er gebeurd is en het bezoek van de meester aan te kondigen.

—–

Karel is woest als Robbie zo laat thuiskomt en geeft hem de wind van voren. Snel zorgt Robbie dat ze op pad kunnen met de kar, nu nog maar even niets vertellen, dat komt straks wel als mama er ook bij is. Na het eten, als ze nog met z’n drieën aan tafel zitten vertelt Robbie wat hij gedaan heeft. Zijn moeder kijkt hem vol ongeloof aan en schudt haar hoofd, zijn vader ontploft bijna van boosheid, wat een schande voor hun goede naam, is hij nou helemaal gék geworden? Karel heeft totaal geen begrip voor de jongen, hij ziet alleen de schande die dat jong hem aandoet en dat spreekt hij ook uit naar de meester als die een uurtje later bij hen binnenstapt. Robbie is naar bed gestuurd zodat de volwassenen ongestoord met elkaar kunnen praten. Karel kan er met zijn pet niet bij, hij begrijpt ook de eenzaamheid van zijn zoon niet, hij heeft het toch goed? Anita is anders, het is of haar een spiegel voorgehouden wordt en ze ziet daar ineens hoe ze Robbie wel altijd van alles hadden gegeven maar dat het hem aan echte warmte en aandacht had ontbroken en ze begrijpt dat hij jaloers geworden is op de andere kinderen. Ze kent haar zoon en ze kan ook begrijpen dat de andere kinderen hem vervelend vinden want hij kan soms onuitstaanbaar zijn. Toch heeft ze diep medelijden met haar zoon en ze neemt zich voor om hem veel meer aandacht te geven. Als de meester naar huis gaat is hij gerustgesteld dat in ieder geval de moeder van Robbie heeft ingezien dat er dingen moeten veranderen en dat haar zoon hulp nodig heeft, haar hulp én die van zijn vader…

De andere morgen gaat Robbie met lood in zijn schoenen naar school. Bij het ontbijt had zjin moeder hem geknuffeld en hem verzekerd dat ze er samen wel uit zouden komen. Robbie was blij geweest. Zijn vader had hij niet gezien, die was al aan het werk gegaan, hij had tijd nodig om alles te verwerken. Anita en hij hadden de vorige avond nog een heel gesprek gehad nadat de meester weggegaan was en uiteindelijk had ook Karel ingezien dat er dingen moesten veranderen en dat Robbie veel te kort was gekomen ondanks dat hij materieel alles had gehad dat hij wilde hebben.

Als de kinderen de klas binnenstromen gaat Robbie stil aan zijn tafeltje zitten en wacht met kloppend hart totdat de meester het woord zal nemen. De dag begint vandaag anders dan anders, normaal beginnen ze altijd met gebed maar nu gaat de meester eerst zitten en vraagt hen opnieuw om allemaal hun stoel te pakken en erbij te komen zitten. Nieuwsgierig scharen ze zich allemaal om de meester heen en dan zegt de meester: “Jongens, over een goede week is het kerstfeest en we hebben het daar de laatste tijd natuurlijk al vaker over gehad maar kan één van jullie nou nog eens vertellen waarom de Here Jezus naar de aarde is gekomen?” DIverse kinderen steken hun vinger op en als de meester een meisje aanwijst zegt ze: “De Here Jezus kwam naar de aarde als een klein kindje om onze zonden te vergeven”. “Dat klopt Ineke” knikt hij het meisje toe. “Hebben we dat dan allemaal nodig? Of zijn er ook mensen die geen vergeving nodig hebben, mensen die helemaal nooit iets fout doen?” vraagt hij en de kinderen grinniken, nee zulke mensen bestaan er niet, iedereen doet of zegt weleens verkeerde dingen. De meester knikt, hij heeft ze nu waar hij ze hebben wilde en nu kijkt hij Robbie aan. “Robbie heeft jullie iets te vertellen” zegt hij. De kinderen kijken verbaasd naar Robbie en zijn nieuwsgierig wat hij hun te vertellen heeft.

Robbie wordt vuurrood en met neergeslagen ogen vertelt hij wat hij gedaan heeft. Hij vertelt ook eerlijk dat hij zich jaloers en eenzaam voelde maar dat hij dit nooit had mogen doen en dan kijkt hij Wim aan en vraagt hem of hij hem alsjeblieft wil vergeven? Ook Wim is stomverbaasd maar hij knikt, ja hij wil Robbie wel vergeven, hij vindt het heel dapper dat Robbie zo eerlijk is om te vertellen wat hij gedaan heeft. De klas is er stil van en stuk voor stuk hebben ze medelijden en voelen zich schuldig tegenover Robbie. Ja ze hebben hem inderdaad links laten liggen en ook hebben ze hem uitgelachen en ze beseffen nu dat zij daar ook fout mee waren. Het is Wim die deze gedachten onder woorden brengt en dan is hij het die Robbie om vergeving vraagt. Robbie kijkt hem ongelovig aan, wat zegt Wim daar? Maar Wim steekt zijn hand uit naar Robbie en zegt: “zullen we voortaan vrienden zijn Robbie?” Robbie weet niet wat hem overkomt en hij schudt de hand van Wim en knikt heftig, “ja Wim, oh ja!” Ook de andere kinderen stemmen mee in en dan is het de meester die voorstelt om dan nu de dag met gebed te beginnen en met een dankbaar hart draagt hij de dag aan de Here op.

Robbie komt blij thuis uit school en vertelt zijn moeder hoe het op school gegaan is. Anita kijkt naar het blije snuitje van haar zoon en de tranen schieten haar in de ogen, waarom had ze toch niet eerder gezien dat hij zoveel liefde en aandacht te kort kwam. Ze schenkt hem een beker warme melk in en stopt hem een dikke koek toe en dan is het tijd om met papa de broodkar te gaan duwen. Gewilliger dan anders gaat Robbie zijn vader zoeken. Deze staat de kar al vol te laden met broden en zonder iets te zeggen doet hij het deksel dicht en zet de kar in beweging. Robbie kijkt naar het stuurse gezicht van zijn vader en durft niets te zeggen. Samen duwen ze de zware kar voort en vermoeid komen ze na uren weer thuis. Ze zijn helemaal koud geworden maar binnen is het warm en het ruikt er lekker naar eten. Hongerig valt Robbie op het eten aan en als ze klaar zijn met de maaltijd schraapt Karel zijn keel, “Robbie, ik ben heel erg boos op je geweest om wat je gedaan hebt. Ik keur het ook absoluut niet goed maar ik heb gisteravond nog lang met mama gesproken en ik begrijp dat je je door ons in de steek gelaten hebt gevoeld. We zijn ook veel aan het werk en hebben niet veel tijd voor je gehad. Mama en ik willen dat gaan veranderen, hoe dat moet daar moeten we nog even over nadenken maar het gaat in ieder geval veranderen jongen”. Robbie gaat naar zijn vader toe en slaat zijn armen om zijn nek, “dankjewel papa” zegt hij en Karel knuffelt hem, iets wat hij al heel lang niet meer gedaan had.

De week voor kerst is altijd de drukste week van het jaar voor de bakkerij, vader en moeder zijn heel druk maar omdat ze ook beseffen dat er voor Robbie tijd moet zijn hebben ze een aardige dame aangenomen die halve dagen in de winkel komt helpen zodat mama halve dagen in huis kan zijn. Ze is ze er elke middag als Robbie uit school komt en dan zit ze klaar met iets lekkers. Ook heeft ze de kamer versierd met wat hulst en kaarsen, en hier en daar een dennetak. Robbie vindt het zó gezellig, hij geniet er van. Hij gaat nog elke dag met zijn vader mee als hij op pad gaat met de broodkar maar zijn vader is nu een stuk vriendelijker en weet je wat leuk is? Als hij zijn vrienden van school tegenkomt lachen ze hem niet meer uit maar komen spontaan ook helpen. Robbie vindt dat zó fijn, hij is zelf ook veel vriendelijker geworden tegen zijn klasgenoten en gemene streken haalt hij niet meer uit. Hij is een stuk gelukkiger dan dat hij de laatste tijd was.

—–

Het is de laatste schooldag voordat de kerstvakantie begint. Robbie loopt van school naar huis, hij haast zich, nog één keertje de broodkar en dan zijn ze een paar dagen gesloten, heerlijk. Als hij naar huis loopt ziet hij in de verte de oude Gaart lopen en opeens vliegt het hem naar de keel. Hij had het hele voorval met de oude broodkar geprobeerd te vergeten maar nu komt alles hem weer haarscherp in herinnering en hij kan het niet meer van zich afzetten. Als een loden last ligt het op zijn hart en als hij thuiskomt móét hij er eerst over praten. Zijn vader staat al klaar met de broodkar maar hij vraagt of papa alsjeblieft eerst, samen met mama, naar hem wil luisteren. In de warme huiskamer gaat Robbie op de bank zitten, zijn handen friemelen onrustig aan zijn trui en hij kan geen begin vinden. Mama komt naast hem zitten, pakt zijn onrustige handen in de hare en zegt: “Vertel het maar jongen”. Dan breekt Robbie, de tranen rollen over zijn gezicht en met horten en stoten vertelt hij dat hij het was die de broodkar een duw had gegeven zodat Gaart hem niet meer houden kon. Het was zijn schuld dat de kar kapot was gegaan. Karel en Anita kijken elkaar ontzet aan, wat had hun jongen toch bezield? Boosheid en medelijden strijden om voorrang en uiteindelijk wint het medelijden. “Jongen toch, hoe kon je zoiets toch doen en waarom heb je dit niet eerder verteld? Nu hebben we Gaart onrecht aangedaan, al wekenlang brengt hij al zijn verdiende geld hier om de broodkar te vergoeden en ik weet niet eens of ze zelf nog wel te eten hebben” zegt mama. Geschrokken kijkt Robbie haar aan, dát had hij niet geweten en hij huilt nu nog harder, hij schaamt zich zo. Karel zegt niets…

Als ze wat later samen met de broodkar onderweg zijn is het een hele poos stil. Ieder is met zijn eigen gedachten bezig. Niet alleen Robbie schaamt zich, Karel schaamt zich net zo goed, hij had Gaart onterecht ontslagen en hem ook nog met plezier elke week zijn loon laten afdragen. Oh Karel is op dit moment bepaald niet trots op zichzelf en hij bedenkt hoe hij dit goed kan maken. Het is Robbie die op een gegeven moment zegt: “Papa, als we straks de ronde hebben gedaan wil je dan samen met mij naar Gaart? Ik wil hem mijn excuses aanbieden, ik schaam me dat ik zo lelijk heb gedaan en ik wist helemaal niet dat hij geen geld meer had, en dat terwijl hij mij niet verraden heeft. Hij was zelfs gewoon vriendelijk tegen me toen ik hem laatst tegen kwam”. Ja, Karel knikt, “dat is goed mijn jongen, dan gaan we straks samen”. Karel heeft deze afgelopen dagen een harde les geleerd, hij heeft zijn fouten gezien en hij heeft ook gezien wat dat met zijn jongen gedaan heeft maar hij ziet nu ook wat hieruit voortgevloeid is voor Gaart en zijn vrouw. Karel weet wat hem te doen staat.

Na de ronde met de broodkar gaan Karel en Robbie eerst thuis eten en als Anita hoort dat ze daarna nog naar het huisje van Gaart en zijn vrouw gaan is ze daar van harte blij mee. “Neem wat lekkere koekjes voor ze mee” zegt ze en ze gaat zelf de winkel in om een grote zak te vullen met de lekkerste koekjes die ze hebben, ze hebben veel goed te maken bij deze mensen. Voordat Karel en Robbie op pad gaan gaat Karel eerst nog zijn kantoor in om iets te halen en daarna lopen ze door de koude avond naar het huisje van Gaart.

Nora en Gaart kijken verbaasd op als er nog zo laat aan de deur geklopt wordt, ze verwachten geen bezoek, wie zou daar zijn? Gaart gaat de deur open doen en als hij ziet wie er voor de deur staan nodigt hij ze spontaan binnen. Hij koestert geen wrok en hij is oprecht blij om Karel en Robbie te zien staan. “Kom er gauw in, binnen is het lekker warm” zegt hij en schoorvoetend stappen de twee over de drempel. “Dit moest ik u geven van mama” zegt Robbie timide terwijl hij de grote zak met koekjes aan Nora overhandigt. “Dat is lief, dankjewel hoor” zegt Nora en ze loopt naar de keuken om iets te drinken te maken voor de gasten. Even later komt ze  met koffie voor de groten en warme chocolademelk voor Robbie weer binnen. De koekjes heeft ze op een mooie schaal gelegd en die presenteert ze erbij. In stilte genieten ze even van de warme drank en dan neemt Karel het woord.

Hij schraapt zijn keel en zegt dan: “Gaart, ik heb je onrecht aangedaan. Vanmiddag heb ik van Robbie gehoord dat hij het was die de broodkar een duw heeft gegeven waardoor hij van de brug gleed. Hij was degene die schuldig was en jij hebt hem de hand boven het hoofd gehouden. Je hebt hem niet verraden en al begrijp ik niet waarom je dat deed, ik vind het wel bewonderenswaardig”. Karel is even stil en Robbie vult hem aan “Ja Gaart, het spijt me dat ik dat gedaan heb en het spijt me ook dat ik het niet eerlijk tegen papa gezegd heb” zegt hij, “en dankjewel dat je me nooit verraden hebt” fluistert hij er zachtjes achteraan. “Het is goed mijn jongen” zegt Gaart, “ik weet toch dat je geen slechte jongen bent en ik heb gewoon gewacht tot je het zelf zou vertellen en dat heb je nu gedaan en ik ben trots op je dat je zo eerlijk bent geweest en ook dat je zo moedig bent om nu je excuses te maken”. Hij geeft de jongen een aai over de bol en kijkt hem liefdevol aan. Karel is onder de indruk van de houding van Gaart en hij neemt opnieuw het woord “Gaart, het spijt me dat ik je onrechtvaardig heb behandeld want ook al was het wél jouw schuld geweest dan had ik je nog niet zo mogen behandelen en ik had zéker niet al je loon op mogen eisen”. Hij haalt een envelop uit zijn binnenzak en overhandigt die aan Gaart. “Hier is al het geld dat je tot nu toe aan mij hebt betaald, het is jullie geld, je hebt er hard genoeg voor gewerkt en het komt jullie toe¨ zegt hij. Gaart neemt het blij in ontvangst en ook Nora is blij. Nu kunnen ze de huisbaas betalen. “Dankjewel Karel, dit stel ik heel erg op prijs”. zegt hij. “Gaart, zou je willen overwegen om weer voor mij te komen werken? En dan voor hetzelfde loon als je nu bij de stalhouderij verdient? De man die nu voor mij werkt wil ermee stoppen, het vroege opstaan wordt hem teveel. En oh ja, dan alleen om brood te bakken want de broodkar blijf ik zelf wel duwen, samen met Robbie, nietwaar?” Robbie knikt, nu zijn vader zoveel vriendelijker is vindt hij het ook niet meer zo erg om mee te lopen. Gaart knikt, hij wil wel graag weer terug in de bakkerij, broodbakken is immers zijn lust en zijn leven. Hij belooft met Dirk te gaan praten en zodra hij daar weg kan komt hij weer voor Karel werken. Karel is blij en niet veel later gaat hij met Robbie samen weer huiswaarts.

Mama zit thuis op hen te wachten en ze is blij als ze hoort hoe het afgelopen is. Robbie moet snel naar bed, het is al laat, en als hij naar bed is praten Karel en zijn vrouw nog lang na, er zal veel veranderen, maar het zijn veranderingen ten goede en met een blij gevoel zoeken ze wat later ook hun bed op.

In het huisje van Gaart heerst blijdschap. “Wat heerlijk Gaart” verzucht Nora, “nu weet Karel wat er echt gebeurd is en nu heb je je loon teruggekregen én je baan” Gaart knikt eens, “Ja, Nora, de Here God zorgt zo goed voor ons, wij hebben onze zorgen bij Hem gebracht en Hij heeft ons gebed verhoord”, Nora kijkt hem liefdevol aan en zegt: “ondanks dat we geen geld hadden heb ik me toch rijk gevoeld, De Here God heeft voorzien in alles wat we nodig hadden”. Stil zitten ze nog een poosje bij elkaar en dan zegt Gaart: “Overmorgen is het kerstfeest, maar in ons hart is het eigenlijk elke dag kerstfeest, daar woont de Here Jezus, daar woont Zijn vrede en Zijn liefde”, Nora knikt stil en voordat ze naar bed gaan vouwen ze de handen en danken ze de Here God voor Zijn liefde, ZIjn trouw, Zijn zegeningen en voor al het goede dat Hij hen ook deze dag heeft gegeven.

Het zijn twee dankbare mensen die even later achter elkaar de trap op stommelen om te gaan slapen, Nora en haar “oude” Gaart.

shutterstock-162164132[1]

Ik wens een ieder hele mooie kerstdagen en een goed en gezegend 2019!

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail


+ 2 = 6