Willekeurige bemoediging
  • Het weer (2)
    Elia, de profeet, boodschapper van God. Profeten werden door God aangewezen, zij werden uitgekozen om als bemiddelaar te dienen tussen …
Archief

CD: U bent er altijd

Here is the Music Player. You need to installl flash player to show this cool thing!

Kerstverhaal 2020: De wensboom.

kerstgedachte

Het is al heel wat jaren geleden dat dit verhaal zich heeft afgespeeld, in een tijd dat er heel veel dingen die wij nu normaal vinden nog helemaal niet waren, een tijd waarin de mensen vaak arm waren maar weet je, misschien waren ze wel veel rijker dan de mensen tegenwoordig. Wat denk je? Zou dat kunnen? Weet je wat, ik vertel je het verhaal en dan mag je aan het einde zelf zeggen wat jij denkt, wie jij denkt dat er rijker is.

——————————-

Het is een koude dag vandaag, brrr, de eigenaar van de groentewinkel veegt zijn straatje schoon, hup, al de sneeuw aan de kant, hij kan niet riskeren dat zijn klanten uitglijden. Een paar winkels verderop komt ook de mevrouw van de speelgoedwinkel naar buiten om haar paadje schoon te vegen. Ze groet de groenteman vriendelijk en begint snel met vegen. Eén voor één komen ook uit de andere winkels in de straat mensen om te vegen en in korte tijd is de hele winkelstraat schoongeveegd. Tevreden gaan de winkeliers weer naar binnen waar het lekker warm is en het kacheltje gezellig staat te snorren. 

Pats!! Met een grote klap spat er een sneeuwbal uit elkaar op het winkelraam van de bakker. De bakker komt boos naar buiten en roept naar de kwajongens die hem dit geflikt hebben. Zijn vuist gebald, zwaaiend in de lucht roept hij hen na terwijl de jongens er met een vaart vandoor gaan. Hun slee met een touwtje achter zich aantrekkend maken ze zich uit de voeten. Even later staan ze al hijgend uit te blazen en te lachen om die boze bakker. Woutje, Kees en Jopie gieren het uit als hun vriend Gerrie de bakker nadoet en ook met zijn gebalde vuist in de lucht staat te zwaaien. Ach, het zijn geen lelijke jongens maar ze houden er wel van om zo nu en dan eens een streek uit te halen. De meester op school heeft er ook zijn handen aan vol, dikwijls moet hij één van hen de gang op sturen om daar zijn straf uit te zitten. Aan de andere kant hebben juist deze kwajongens ook een goed hart, hoe dikwijls gaan ze bij de oudere mensen in hun kleine dorpje langs om even te helpen, een boodschapje doen, een straatje vegen, even wandelen met de hond als het voor het baasje te glad is, ze doen het met liefde. Vandaag zijn ze met de slee onderweg en om de beurt zitten er 2 op de slee en trekken de andere 2, waarna ze na een tijdje omwisselen en de straten onveilig maken want oh, oh, ze letten niet al te goed op, ze rennen maar door, waardoor menig voorbijganger al opzij moest springen om niet omver gelopen te worden door het viertal. Maar de jongens hebben het niet eens in de gaten, joelend glijden ze door die heerlijke sneeuw. Wat hebben ze ernaar uitgekeken dat het zou gaan sneeuwen en toen dan gisteren de eerste vlokjes vielen ging er een groot gejuich op in de klas, alle kinderen waren door het dolle heen…nou ja, niet allemaal… Evert had met een verdrietig snuitje naar buiten gekeken en toen de bel ging en de kinderen naar buiten stoven zat hij stil bij het raam en keek hoe ze daarbuiten elkaar bekogelden met de verse sneeuw. Ach hoe graag had hij ook meegedaan met de rest, maar dat ging niet. Evert zit in een rolstoel en wordt elke dag naar school gebracht en ook weer opgehaald. Buiten spelen is er niet bij, dat gaat niet. 

Daar is zijn moeder al, ze komt hem halen, maar ze heeft de grootste moeite om de rolstoel door de sneeuw geduwd te krijgen en Evert hoorde haar hijgen achter zijn rug. Hij voelt zich schuldig, kon hij maar gewoon lopen dan hoefde zijn moeder niet zo te duwen. Eenmaal thuis wordt Evert op zijn plekje in de woonkamer geduwd, een plekje bij de tafel zodat hij zijn huiswerk kan maken. Nee voor Evert is het allemaal niet zo leuk en gezellig als voor de 4 kwajongens. 

De jongens zijn inmiddels op de landweg aangekomen, hier is het nooit druk en hier kunnen ze naar hartelust sleeën en in de sneeuw spelen. Als ze na een hele poos moe en koud zijn geworden gaan ze met z’n vieren op de slee zitten. Het is wel een beetje krap maar het lukt net, zo kunnen ze elkaar ook een beetje warm houden. “Hé jongens, hebben jullie ook zo’n zin in de wensboom?” vraagt Woutje aan de anderen. “Ja, jippie!!” zegt Kees, “ik heb al een hééééleboel wensen op mijn briefje geschreven en ik hoop dat ik alles krijg wat er op staat” zegt hij. Ook de anderen zijn enthousiast over wat zij op hun briefjes hebben geschreven, ze willen graag mooie cadeaus en ze zijn nu al benieuwd of ze alles gaan krijgen wat er op hun lijstje staat. 

De wensboom is een initiatief van de meester van de 5e klas. Ieder jaar, zo tegen de kerst, mogen de kinderen van de 5e klas in de grote boom op het speelplein een briefje hangen met een wens. Het is de bedoeling dat ieder kind één kleine wens mag opschrijven maar er zijn altijd kinderen die er toch een heel aantal hebben. Vervolgens haalt iedere ouder een willekeurig briefje uit de boom en probeert de wens van het kind in vervulling te doen gaan. De kinderen hebben meestal simpele wensen, de één wil graag een springtouw, de ander wat kleurtjes of een schetsboek, wensen die bescheiden en betaalbaar zijn. De ouders hebben er net zoveel schik in als de kinderen en zo wordt het elk jaar een feest als de cadeaus worden uitgedeeld. Dat wordt altijd gedaan vlak voordat de kerstvakantie begint. De hele school komt dan bij elkaar in de hal van de school en dan stapt de meester naar voren om te vertellen van het kerstfeest, dat het gaat om de geboorte van de Here Jezus. Hoe Hij kwam als een klein kindje naar de aarde, en ieder jaar weer leest de meester dan het verhaal van de Here Jezus uit de Bijbel. Elk jaar vertelt hij er ook iets persoonlijks bij en de kinderen vinden het altijd heerlijk om naar de meester te luisteren. Ze zingen ook nog met elkaar en dan aan het einde krijgen ze hun cadeautje dat ze mee naar huis mogen nemen en thuis mogen ze het dan uitpakken. Ja de kinderen zijn er al vol van. 

Het is een week later als de kinderen allemaal één voor één binnendruppelen in de klas. Als iedereen binnen is begint de meester altijd eerst met gebed, dat doet hij iedere morgen en de kinderen vouwen dan eerbiedig hun handen en zijn stil. Als meester klaar is met bidden zegt hij: “Jongens en meisjes, vandaag mogen jullie een briefje maken voor in de wensboom.” Er gaat een gejuich op onder de kinderen en het is meteen rumoerig in de klas. De meester tikt op zijn bureau ten teken dat ze stil moeten zijn en dan gaat hij op een punt van zijn bureau zitten en kijkt de kinderen van zijn klas ernstig aan. “Dit jaar wilde ik het eens heel anders doen dan andere jaren” zegt hij. De kinderen kijken de meester verwachtingsvol aan, wat zou hij bedoelen? Ze hangen aan zijn lippen. De meester is even stil en dan zegt hij: “Ja, normaal gesproken mogen jullie een wens opschrijven, iets dat je zelf graag zou willen hebben nietwaar? Maar dit jaar dacht ik aan wat de Here Jezus heeft gedaan, Hij kwam om óns iets te geven, Hij kwam niet om iets te ontvangen voor zichzelf”. De kinderen zitten roerloos en wachten op wat de meester nog meer gaat zeggen, wat bedoelt hij nou toch? “Ik dacht” gaat hij verder, “zou het nou niet leuk zijn als jullie een briefje in de boom hangen met iets dat jullie aan een ánder zouden willen geven?” vraagt hij. De kinderen kijken elkaar aan en je ziet ze nadenken, Harry steekt zijn vinger op: “meester, wat zou dat dan moeten zijn?” De meester geeft niet meteen antwoord maar stelt een wedervraag “wat denken jullie jongens, wat zou je nou een ander eens kunnen geven?” Fietje zegt: “Meester, meester, ik heb een heleboel poppen, daar kan ik er best wel één van weggeven”. Els zegt “oh ja, ik heb heel veel knikkers, daar kan ik er ook wel een paar van missen”. Over en weer worden er suggesties gedaan van wat de kinderen zouden willen weggeven en dan zegt de meester: “Ik wil jullie graag een verhaal vertellen, een waar gebeurd verhaal”. De kinderen zijn meteen stil en kijken hem verwachtingsvol aan. De meester kijkt langs al die gezichten en begint dan te vertellen: 

“Er was eens een jongen die we Gerard zullen noemen. Gerard was een heel gelukkige jongen, hij woonde met zijn ouders in een simpel huisje aan de dijk waar het altijd gezellig was. Ze hadden niet veel geld maar daar merkte Gerard weinig van. Hij had elke dag te eten, oh, niks bijzonders hoor, gewoon boterhammetjes met een beetje boter en dikwijls was dat het enige dat er op zijn boterhammetjes zat maar hij smulde er elke dag weer van. De kleding die hij droeg waren meestal krijgertjes, dan waren er kinderen in de familie die net iets ouder waren dan hij en de kleding die hen niet meer paste kreeg Gerard dan. Ook dat vond Gerard prima, hij was er blij mee. Ach, en de meeste gezinnen waren niet zo rijk en merkkleding bestond er toen nog niet. Ja, Gerard was een tevreden jongen en had eigenlijk alles wat hij maar wenste.

Gerard was een gezonde jongen en hij had altijd wel honger. Jawel, hij nam soms wel 6 boterhammen mee naar school en de pauze tussen de middag was altijd een feest voor hem. 

Als Gerard van school naar huis liep kwam hij altijd langs het park en de laatste tijd zag hij daar steevast een man zitten. De man was nog niet erg oud maar hij zag er wel wat armoedig uit, en soms zat de man te slapen, dat kon Gerard zien want dan was zijn hoofd helemaal op zijn borst gezakt. Het was min of meer een vertrouwd beeld geworden om die man daar te zien zitten, het viel niet eens meer echt op. 

Op een dag liep Gerard weer de route langs het park naar huis, hij genoot van de wandeling, alles was zo mooi wit want het had gesneeuwd. Hij kwam langs het bankje en zag daar de man weer zitten. De man zat kouwelijk in zijn dunne jas gedoken en probeerde zich warm te houden. Gerard kwam dichterbij en zag de man. Eerst wilde hij doorlopen maar toen zag hij hoe de man daar zat, de armen om zijn lichaam geslagen en de ogen half gesloten. Het was of Gerard de man voor het eerst echt zag, ach wat zielig, die man had het koud, wat moest hij nu doen? Hij kon toch niet zomaar doorlopen? Gerard dacht heel even na en toen trok hij zijn eigen heerlijke dikke winterjas uit en gaf hem aan de man. Gerard was een stevige jongen en daardoor paste de magere man heel goed in zijn jas. De man keek Gerard dankbaar aan en hij had geen woorden voor dit lieve gebaar. Gerard zag het en werd er verlegen van. Snel liep hij door, de man achterlatend in zijn lekkere warme jas. Hij had zelf de jas nog maar pasgeleden gekregen van de buurvrouw omdat haar zoon eruit gegroeid was en Gerard was er heel erg blij mee geweest omdat het echt zo’n heerlijke jas was. Maar nu had hij geen moment geaarzeld om zijn jas aan de man op het bankje te geven. Brrr, het was echt koud maar in Gerard zijn hart was het warm omdat hij deze man blij gemaakt had en daardoor voelde Gerard de kou niet eens. Thuisgekomen keek zijn moeder hem vreemd aan, “Kind toch, waar is je jas” vroeg ze en Gerard vertelde haar het verhaal van de man in het park. Zijn moeder keek hem vertederd aan en vond het ontzettend lief van hem. Ook zijn vader was trots op wat hij gedaan had en zo ging Gerard wat later met een blij hart slapen. 

De andere dag pakte hij een oud jasje uit zijn kast, deed een door zijn moeder gebreide sjaal om en ging daarmee naar school. Op school aangekomen werd hij al snel in beslag genomen door de lessen en pas in de pauze had hij tijd om met de andere kinderen te praten. Hij verheugde zich altijd op de pauzes want dan kon hij zijn lekkere boterhammen opeten. Ook deze middag ging hij er eens lekker voor zitten en zette zijn tanden in de eerste boterham. Hmmmm, wat was dat toch weer lekker. Al kauwend keek hij de klas door waar ook de andere kinderen aan de tafeltjes zaten te eten. Ineens zag hij hoe aan de tafel in het hoekje van de klas één van zijn klasgenootjes verdrietig voor zich uit zat te kijken, hij had geen broodtrommeltje voor zich op de tafel staan en voor zover Gerard kon zien had hij niets te eten. Gerard stond van zijn stoel op en liep, met zijn broodtrommeltje in de hand, naar de jongen aan het tafeltje. “Hoi Max, ik kom even hier bij jou zitten hoor”  Max keek op en glimlachte naar Gerard. Gerard had zijn eerste boterham nog in de hand, hij had er een paar happen van op en beet gretig een nieuwe hap uit het brood. “Heb jij geen brood bij je?” vroeg hij aan Max. Deze boog zijn hoofd en vertelde verlegen aan Gerard dat er geen brood was geweest vanmorgen. Hij had een klein beetje pap gekregen voordat hij naar school ging maar zijn moeder had huilend verteld dat ze geen brood had om hem mee te geven. Zijn vader had geen werk en er was geen geld voor brood. Gerard had medelijden met Max, hij schoof zijn broodtrommeltje naar Max en zei dat hij gerust een paar boterhammen van hem kon nemen. Hij had er toch genoeg. Max keek Gerard aan, meende hij dat nou echt? Jawel hoor, Gerard zei “toe maar, pak maar hoor”. Nog wat aarzelend pakte Max een boterham uit Gerards trommeltje en toen Gerard zag hoe hij de boterham verslond zei hij “pfff, ik heb wel genoeg aan deze ene boterham, neem jij de rest maar”. Max straalde en at alle 5 de boterhammen van Gerard op, hij had ook zó’n honger gehad. Na die dag lette Gerard elke middag heel goed op in de pauze en als hij zag dat Max weer geen brood bij zich had dan deelde hij altijd het zijne. En Gerard? ach die werd er alleen maar heel erg blij van. Hij vertelde ook thuis wat hij met zijn boterhammen deed en als het even kon dan smeerde zijn moeder een paar boterhammen extra. Ze hadden zelf ook niet veel en het kon niet altijd maar soms was er ietsje meer en dan kreeg Gerard dat mee voor Max. Ja de ouders van Gerard waren trots op hun jongen omdat hij zo voor anderen zorgde…”

Meester kijkt de klas eens rond, de kinderen zitten roerloos naar hem te luisteren. Zouden ze begrepen hebben wat hij met dit verhaal wilde zeggen? Hij vraagt: “wat denken jullie, snappen jullie een beetje wat ik bedoelde met het idee om dit jaar eens niet een wens in de boom te hangen maar iets dat je aan een ander wilt geven?” De kinderen knikken aarzelend, “ja meester, zegt Fietje, ik begrijp het wel, ik dacht ik kan wel een pop weggeven want ik heb er toch nog genoeg over, maar nu begrijp ik dat dat niet echt iets van jezelf geven is. Ik zou eh, nou ik zou… ze denkt even na en zegt dan: ik zou het niet zo goed weten meester”. De meester snapt het wel, ook de andere kinderen weten niet zo goed wat ze nou eens zouden kunnen weggeven maar de meester heeft wel een idee. Hij zegt: “weet je wat? Het duurt nog een paar weken tot het kerstmis is en ik stel voor dat jullie eens goed om je heen kijken en dat je eens naar elkaar luistert. Misschien komen jullie dan vanzelf dingen te weten waarin je een ander zou kunnen helpen of wat je een ander zou kunnen geven”. De kinderen knikken, ja dat is wel een goed idee en ze zijn allemaal welwillend om ermee aan de slag te gaan.

De dagen die volgen zijn best spannend voor de kinderen want hoe moet je er nu achter komen wat een ander nodig heeft? Nou, de ogen en oren open houden dan maar. Het is wel heel grappig dat de kinderen veel meer met elkaar omgaan dan anders, er wordt meer met elkaar gesproken en hier en daar komen er al briefjes in de boom te hangen. Zo heeft Fietje een briefje in de boom gehangen met daarop geschreven dat zij wel een middag op de kleine broertjes van Baukje wil passen zodat Baukje ook eens lekker kan gaan spelen. Baukje haar ouders hebben namelijk een broodkar en zijn elke dag onderweg met de kar en dan moet zij op de kleintjes passen. Ook Harry heeft al een briefje opgehangen, hij wil iets geven aan Fredje, hij is er namelijk achter gekomen dat Fredje zo heel graag een slee zou willen hebben om buiten mee te spelen en nu heeft Harry aangeboden om er samen met hem eentje te gaan maken. En zo komen er meer en meer mooie briefjes in de boom te hangen. 

Evert heeft thuis, op zijn plekje bij het raam, lang naar buiten zitten staren en gedacht en gedacht, wat zou hij nou aan te bieden hebben? Hij wist het niet. Maar op een middag, toen hij daar weer zat bedacht hij ineens dat hij wél iets aan te bieden had, hij wist zéker dat hij een goede vriend van iemand zou kunnen worden. Ja, dát zou hij op zijn briefje schrijven. Hij wist niet wiens vriend hij zou kunnen worden maar er zou toch vast wel iemand zijn met wie hij bevriend zou kunnen raken? Och hij wil al zó lang ook een vriendje, iemand om mee te spelen en lekker gek te doen, maar tot nu toe heeft hij nog geen vrienden en dat maakt hem eenzaam. Maar dit plan maakt hem helemaal blij, ja dit is een goed idee. En zo hangt hij zijn briefje de volgende morgen helemaal onderin de boom. Doordat hij in zijn rolstoel zit kan hij niet zo heel hoog komen dus daarom komt zijn briefje helemaal onderin terecht, op een plekje waar eigenlijk niemand het ziet hangen….

Ook de vier vrienden hebben goed rond gekeken en hoewel ze dikwijls kwajongensstreken uithalen hebben ze een goed hart. Het was voor de jongens nog niet zo gemakkelijk om uit te vinden waar ze iemand zouden kunnen helpen. Woutje, Kees, Gerrie en Jopie hadden met elkaar overlegd, ze hadden dingen geopperd, ideeën met elkaar gedeeld maar nee, ze konden het niet echt eens worden. Op een middag zagen ze hoe Evert weer door zijn moeder van school werd opgehaald en ze keken van een afstandje hoe moeder ploeterde door de sneeuw met de rolstoel. Nadenkend hadden ze haar nagekeken en er met elkaar nog even over gesproken. Eigenlijk had Evert toch wel een eenzaam leven, hij speelde nooit buiten, hij had ook geen vrienden voor zover zij wisten en ze waren nieuwsgierig wat hij dan wel thuis deed als hij van school kwam. Zo kon het gebeuren dat de vier jongens Evert en zijn moeder van een afstandje volgden naar huis. Ze zagen hoeveel moeite de vrouw moest doen om Evert thuis te krijgen, ze hoorden Evert af en toe iets zeggen maar ze konden niet verstaan wat hij zei. Eenmaal bij hun huis aangekomen duwde moeder Evert naar binnen en even later zagen de jongens hoe hij bij een tafel voor het raam werd geschoven. Hij kreeg een bekertje drinken en terwijl moeder aan het werk ging zat Evert daar in zijn eentje aan die tafel. De jongens vonden het een verdrietig beeld en ze waren er wel van onder de indruk. Tegelijkertijd begonnen ze door elkaar heen te praten: “wat nou als wij voortaan Evert halen en brengen? En dan mag hij misschien ook weleens met ons mee, als we buiten spelen of naar één van ons thuis, ja dan is hij niet meer zo alleen, in de klas is hij ook altijd zo stil en alleen”. De jongens zijn het met elkaar eens, dit wordt hun briefje, dit wordt hun geschenk…

Het is enkele dagen voor kerst en het is vandaag de laatste schooldag. De kinderen zijn met een verwachtingsvol hart naar school gegaan, ze houden van deze dag, het is elk jaar weer een feest. In de grote hal van de school. Als alle kinderen binnen zijn en op de lange banken zitten gaat de directeur van de school naar voren en spreekt de kinderen toe. Daarna mogen alle klassen iets doen, een lied zingen of een mooi vers opzeggen of een klein toneelstukje opvoeren. Daarna komt de meester van de 5e klas naar voren, hij is dit jaar gevraagd om een verhaal te vertellen. Hij staat daar vooraan en is even stil om zo de aandacht van alle kinderen te vangen. Dan begint hij te vertellen, tot verbazing van de kinderen vertelt hij hetzelfde verhaal dat hij in de klas ook al had verteld, dát hadden ze niet verwacht. Toch luisteren ze net zo aandachtig als alle andere kinderen van de school die dit verhaal nog niet gehoord hadden. Als de meester aan het einde van het verhaal komt dan kijkt hij even de rijen langs en dan zegt hij: weten jullie wie die Max was?” de kinderen kijken de meester aan en schudden hun hoofd, nee hoe zouden zij dat nou moeten weten? “Ik was Max” zegt de meester, “wij hadden het thuis zó arm dat ik soms geen eten mee naar school kon nemen en dan was ik zo verdrietig, alle kinderen hadden eten en ik niet en ik had zó’n verschrikkelijke honger want ook het beetje pap van ‘s morgens was lang niet genoeg. Maar wat wás ik blij met Gerard, ik heb pas véél later begrepen dat hij honger heeft gehad omdat ik zijn boterhammen mocht opeten maar ik ben nooit vergeten hóé dankbaar is was voor wat hij voor mij heeft gedaan. Zijn eigen eten opgeofferd voor mij”. 

De kinderen kijken hem met grote ogen aan, wauw, dan heeft de meester wel in een heel arm gezin gewoond. Maar de meester gaat nog verder, hij zegt: “Weten jullie, vandaag vieren wij hier op school alvast een beetje het kerstfeest en denken we aan de geboorte van de Here Jezus. Hij kwam als een klein kindje naar de aarde voor ons, en daar zijn we dankbaar voor want toen hij groot was is hij voor ons aan een kruis gegaan. Hij gaf niet zomaar een cadeautje, nee Hij gaf Zijn léven, hoe geweldig is dat? Daar kunnen we elke dag dankbaar voor zijn toch?” de kinderen knikken en de meester gaat verder “en weet je, ik ben nooit vergeten wat Gerard voor mij heeft gedaan en sindsdien kijk ik altijd goed om me heen of ik mensen kan helpen, maar ik zal óók nooit vergeten wat de Here Jezus voor mij heeft gedaan en ik zal altijd dankbaar blijven voor dat grote geschenk. En wat ik aan anderen kan geven is lang niet zo groot als Zijn geschenk maar ik vind het wel heel fijn om een ander echt iets van mijzelf te geven, iets dat echt uit mijn hart komt en waaruit een ander dan ook een stukje liefde van de Here Jezus kan voelen. En om jullie dit ook te laten ervaren heb ik dus voor dit jaar van de wensboom een geschenkboom gemaakt”. 

De kinderen zijn er stil van en als er na afloop nog gebeden is gaan alle kinderen nog even naar hun eigen klassen waar ze een lekkere beker chocolademelk krijgen en nog een klein boekje om mee naar huis te nemen. In de 5e klas gaat het vandaag wat anders, er worden geen cadeaus uitgedeeld maar de meester heeft de wensbriefjes uit de boom gehaald en hij gaat ze stuk voor stuk voorlezen. Nou, wat zijn de kinderen verrast als ze horen wat de ander voor hen bedacht heeft, Baukje is zó blij met het aanbod van Fietje en ook Fredje is superblij dat Harry een slee met hem wil bouwen. Oh hij heeft er al helemaal zin in, joepie!! Als bijna alle briefjes zijn voorgelezen heeft de meester er nog 2 in zijn handen. Evert heeft al die tijd stilletjes zitten luisteren naar alles wat de kinderen voor elkaar bedacht hebben en hij schaamt zich inmiddels al voor zijn eigen briefje want dat was eigenlijk maar zo simpel, hij kon niet echt iets doen voor een ander omdat hij in zijn rolstoel zat en tja, misschien was er wel niemand die vrienden met hem zou willen worden. De meester zit met de 2 briefjes en de kinderen wachten op wat er op de briefjes zal staan. Dan zegt de meester: “Ik heb deze twee voor het laatste bewaard, de ene had ik bijna over het hoofd gezien, die hing zó laag in de boom dat ik hem eerst niet in de gaten had maar ik heb hem tóch gevonden, en het andere briefje past heel goed bij dit ene briefje”. De meester spreekt in raadselen, de kinderen snappen er niets van. Maar dan gaat de meester verder en zegt: “Dit ene briefje is van Evert en Evert heeft iets heel bijzonders aan te bieden, hij biedt zijn hart aan, hij wil heel graag een goede vriend voor iemand zijn”. De kinderen kijken naar Evert en die wordt er helemaal verlegen van en durft de anderen niet aan te kijken. “Maar…” zegt de meester “ dit andere briefje is van 4 jongens, Kees, Gerrie, Woutje en Jopie en zij hebben juist voor Evert een prachtig geschenk, zij willen heel graag zijn vrienden worden en hem voortaan elke dag ophalen voor school en ook weer thuisbrengen maar ze willen hem ook meenemen om te spelen of om bij hen thuis eens gezellig een spelletje te komen doen”. Evert krijgt een rode kleur en er is ongeloof in zijn ogen als hij dit hoort. “echt waar meester?” vraagt hij ongelovig en als de meester knikt kijkt hij met glanzende ogen naar de 4 belhamels die hem blij toelachen. 

Als een tijdje later de school uitgaat blijven de 4 jongens samen met Evert wachten op zijn moeder en als zij er is kan Evert niet wachten om te vertellen wat de jongens hebben voorgesteld. Moeder kijkt blij, dat zou haar veel moeite besparen als ze niet elke keer zelf de rolstoel hoeft te duwen en ze is blij voor Evert dat hij nu vrienden krijgt. Ja natuurlijk geeft ze haar toestemming en de jongens beginnen maar meteen om Evert naar huis te duwen. Daar aangekomen worden ze door moeder uitgenodigd om binnen te komen en even wat te drinken. Zo zitten ze dan met z’n 5en rond de tafel waar Evert altijd alleen zit. Wat is hij blij en wat hebben ze het gezellig met elkaar. Even later gaan de jongens allemaal naar hun eigen huis maar niet voordat ze met Evert een afspraak hebben gemaakt voor de komende dagen. Het is immers vakantie en de jongens hebben allemaal plannen om met elkaar heerlijk te ravotten en ja, natuurlijk ook om een paar kwajongensstreken uit te halen maar dat hoort nu eenmaal een beetje bij hen. 

Als Evert ‘s avonds in bed ligt kan hij bijna niet in slaap komen omdat hij uitziet naar de dagen die komen, dagen  vol plezier met de jongens, oh wat is hij blij. In 4 andere huizen liggen er ook jongens in bed, jongens met een blij hart omdat ze zelf blij worden van wat ze Evert hebben gegeven, vriendschap. Ze denken nog even aan de woorden van de meester, over hoe de Here Jezus niet alleen vriendschap aan de mensen gaf maar zelfs Zijn leven, ja dat heeft diepe indruk gemaakt. En zo, zachtjes aan, vallen hun ogen dicht en dromen ze van sneeuw, vakantie, kattenkwaad, vriendschap….

———————-

Misschien is het wel een goed idee om zelf ook eens wat vaker om ons heen te kijken en eens te zien of er iets is wat wij een ander kunnen geven? Iets dat recht uit ons hart komt en waarin de liefde van de Here Jezus weerspiegeld wordt, wat denk jij?

kerstgedachte

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail


4 + 7 =