Willekeurige bemoediging
  • Elke morgen weer.
    Wat is het heerlijk om te weten hoe lief mijn Vader mij toch heeft, hoe Hij áltijd met mij meedenkt …
Archief

CD: U bent er altijd

Here is the Music Player. You need to installl flash player to show this cool thing!

2e Kerstverhaal 2018: De oude Gaart.

Winter rotterdam

Het is guur weer en een sneeuwstorm kleurt de straten van Rotterdam wit, het is pas november maar de winter is vroeg dit jaar. Mensen lopen met gebogen hoofd tegen de wind in snel naar huis maar de kinderen genieten in de straten met een heerlijk sneeuwballengevecht. Het is enkele jaren na de 2e wereldoorlog en Nederland is al een aardig eind op weg met het herstel van alles wat kapotgegaan is in de oorlog. Vooral Rotterdam heeft er hard aan moeten werken om opnieuw de stad op te bouwen aangezien een gedeelte van Rotterdam helemaal platgebombardeerd is in de oorlog. Als je nu naar die spelende en joelende kinderen kijkt dan zou je nauwelijks geloven dat er, nog maar een aantal jaren geleden, een verschrikkelijke oorlog gewoed heeft. Ook in de winkelstraten komt langzaamaan weer meer bedrijf en meer en meer winkels openen hun deuren. De mensen zijn vooral nog steeds dankbaar dat de oorlog voorbij is en dat ze weer in vrijheid kunnen leven. Toch heerst er binnen de gezinnen nog veel armoede maar de mensen zijn eraan gewend, ze weten niet beter.

Dwars tegen de sneeuwstorm in worstelt een man zich richting de brug. Hij duwt een broodkar en omdat het door de sneeuw nogal glad geworden is heeft hij er moeite mee om vooruit te komen. Het is de oude Gaart, een bekende verschijning in de straten van Rotterdam. Al jaren komt hij met de broodkar bij de mensen thuis en verkoopt zijn brood… nou ja, het is niet meer zijn brood wat hij verkoopt maar het brood van zijn baas, Karel de Jong. Vroeger, voor de oorlog, had Gaart zijn eigen bakkerij, maar ook die is bij het bombardement totaal verwoest en na de oorlog had hij niet genoeg geld om opnieuw te beginnen. Hij was een goede bakker, voor de oorlog waren de mensen dol op zijn brood en dat zorgde ervoor dat hij genoeg klandizie had en met zijn vrouw goed kon leven van de opbrengst van de bakkerij. De mensen kwamen graag bij hem in de winkel en menig huisvrouw liep met plezier een straatje verder om juist bij hem het brood te kopen. Hijzelf had altijd gebakken en zijn vrouw stond meestal in de winkel. Na sluitingstijd ging hij dan nog op pad om bij diverse klanten het brood thuis te bezorgen, ja hij stond goed aangeschreven bij de mensen. Na de oorlog heeft hij moeite gedaan om aan het werk te komen en Karel, die Gaart ook wel kende, had er zijn voordeel in gezien om Gaart in dienst te nemen. Karel is geen goede baas, hij laat Gaart veel te veel en veel te lang werken en hij betaalt hem te weinig voor al zijn werk. Zo verwacht hij dat Gaart iedere morgen om 4 uur al in de bakkerij bezig is om het brood te bakken en als hij dan klaar is met bakken moet hij met de grote zware kar nog de stad in om het brood bij de mensen te gaan brengen, maar Gaart doet dat trouw iedere dag. Als hij iets te lang onderweg is krijgt hij van Karel de volle laag, die scheldt hem dan uit dat hij veel te sloom is en er veel te lang over doet. Gaart biedt dan zijn verontschuldiging aan en verzekert Karel dat hij de volgende dag sneller zal lopen. Ach, Gaart klaagt niet, hij is blij dat hij werk heeft en van het karige loon kunnen hij en zijn vrouw net rondkomen. Ze verlangen niet meer dan dat.

—–

Eenmaal bij de brug aangeland probeert Gaart met alle macht de kar de brug op te duwen maar de helling is te stijl en de brug te glad, telkens weer glijdt hij terug en ondanks de kou loopt het zweet hem over de rug en hij wist zich het natte voorhoofd af. Aan zijn handen heeft hij handschoenen waarvan de vingers afgeknipt zijn, dat is handig als hij bij de klanten moet afrekenen en het zorgt er nu voor dat hij wat meer grip heeft op de stang waarmee hij de kar voortduwt. Gaart duwt en duwt en telkens weer glijden zijn schoenen weg, maar dan ineens zijn daar twee sterke jongens die hem hebben zien worstelen, ze kennen Gaart en ze willen hem graag helpen en zo duwen ze gedrieën de kar voort totdat hij boven op de brug staat. “Hartelijk dank jongens” zegt Gaart en hij opent het deksel van de kar om de jongens ieder een lekker vers broodje te geven. Dát slaan ze niet af en met een armzwaai en een bedankje lopen de twee verder. Gaart heeft altijd extra broodjes bij zich, die bakt hij thuis en die stopt hij dan in de broodkar om uit te delen. Soms aan een kind of net als nu aan deze twee jongens, maar ook geeft hij ze soms weg aan mensen waarvan hij weet dat ze het erg arm hebben. Ja, iedereen houdt van Gaart.

Gaart houdt even rust daar boven op de brug, pfff hij trilt helemaal van vermoeidheid, hij is tenslotte ook de jongste niet meer. Niet dat hij al echt oud is maar hij nadert wel de 60 en hij is niet meer zo sterk als toen hij nog jonger was.

Een eindje bij hem vandaan staat een jongen van een jaar of 12 al een tijdje naar hem te kijken. Hij had in zijn vuistje gelachen toen hij het gestuntel van Gaart had bekeken en hij was zéker niet van plan om de helpende hand te bieden. Nee hoor, veel te leuk om Gaart te zien zwoegen. Het is Robbie, het zoontje van Karel de Jong en zijn vrouw Anita. Robbie was er met zijn mooie slee op uit gegaan maar er was niemand die met hem wilde sleeën. Robbie is niet populair bij de andere kinderen, dat komt omdat hij altijd erg vervelend is. Op school is het een echte klikspaan en als de meester niet oplet is hij heel gemeen tegen de andere kinderen en doet stiekeme dingen waarvan hij dan een ander kind de schuld van in de schoenen schuift. Hij neemt expres dingen weg en stopt het dan bij een ander in de tas of in het kastje en als dat dan ontdekt wordt is het onschuldige kind de dupe en krijgt straf, waar Robbie dan stilletjes om lacht. Ook pakt hij soms brood weg en eet het dan zelf snel op, waardoor een ander niets te eten heeft. Het kan Robbie allemaal weinig schelen. Thuis wordt hij aan de ene kant enorm verwend, hij is het enige kind en krijgt alles wat hij maar wil hebben, duur speelgoed, een mooie slee, hij mag uit de winkel alles eten wat hij lust en zijn ouders letten er helemaal niet op wat hij daar allemaal weg pakt. Maar anderzijds hebben ze het zo druk dat ze weinig persoonlijke aandacht voor hem hebben waardoor Robbie zich vaak eenzaam voelt. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat hij een onuitstaanbaar ventje is geworden. Nu dus ook weer, niemand wilde met hem spelen en zo stond hij daar in zijn eentje het getob van Gaart te bekijken. Teleurgesteld en geërgerd had hij gezien hoe de twee hulpvaardige jongens waren gekomen om de broodkar de brug op te krijgen, jammer hoor.

Na eventjes gerust te hebben pakt Gaart de stang van de kar weer vast en duwt hem voort, heel voorzichtig dit keer want het gaat nu naar beneden, de brug weer af naar de straat waar hij een paar klanten heeft. Robbie, die hem nog steeds staat te bekijken, krijgt ineens een heel lelijk plannetje in zijn hoofd, hij zal die onnozele knecht van zijn pa eens flink te pakken nemen. Hij rent zo snel hij kan naar Gaart toe en geeft de kar een fikse duw en dan gaat het mis, de kar begint te glijden en hoe Gaart ook probeert, hij kan hem niet houden, de stang glipt uit zijn handen en de kar maakt meer en meer vaart. “Kijk uit!!” schreeuwt hij naar een paar voorbijgangers die snel opzij springen als ze het gevaarte aan zien komen. Robbie staat het schaterlachend te bekijken, oh wat een lol heeft hij. Onderaan de brug glijdt de kar nog verder totdat hij met een grote klap tot stilstand komt tegen een lantaarnpaal. De zware houten kar versplintert en het brood vliegt alle kanten uit. Zo snel als hij kan komt Gaart de brug af, half glijdend, half lopend en als hij bij de kar komt schieten de tranen hem zomaar in de ogen. Oohhh nee!! alles kapot… Hulpeloos staat hij daar en staart naar de ravage, niet wetend wat te doen. Oei, daar schrikt Robbie nu toch wel even van en zo snel als hij kan maakt hij zich uit de voeten.

—–

Omstanders, en mensen die in de huizen vlakbij wonen, komen om te kijken waar die klap vandaan kwam en als ze de kapotte kar zien en al het brood dat daar zomaar in de sneeuw ligt hebben ze te doen met de oude Gaart. Vele bereidvaardige handen pakken snel de broden op en een paar mannen kijken of de kar nog provisorisch te herstellen is maar dat is ijdele hoop, het ding is totaal onbruikbaar geworden. Gaart zegt tegen de omstanders dat ze het brood maar moeten verdelen, hij kan het zo toch niet meer verkopen nu het in de sneeuw gelegen heeft maar vies is het niet geworden en de mensen kunnen het nog best eten. Hoewel een gratis brood nooit weg is hebben de mensen er nu toch een dubbel gevoel bij, ze hebben medelijden met de zo hardwerkende, altijd vriendelijke Gaart. Twee sterke mannen zijn zo vriendelijk om Gaart te helpen de kapotte broodkar bij de bakkerij van de baas te krijgen en na hem neergezet te hebben gaan ze, na een zeer hartelijk bedankje van Gaart, weer naar hun huis. Met lood in zijn schoenen betreedt Gaart de bakkerij die aan de achterkant van de winkel is. In de winkel worden, door de vrouw van de baas, de meer luxe artikelen verkocht zoals koekjes, bonbons en gebakjes en omdat Gaart maar gewoon personeel is mag hij niet via de winkeldeur naar binnen maar moet hij via de achteringang gaan. Hij opent de deur en zoekt de baas op die in het kleine kantoortje zit.

—–

Karel, die van het hele voorval natuurlijk niets weet, zit nietsvermoedend achter zijn bureau te werken. Hij schrikt als Gaart daar, na een klop op de deur, zo ineens voor zijn neus staat, hij had hem nog lang niet verwacht. “Wat doe jij hier zo vroeg?” vraagt hij nors. Gaart is duidelijk zenuwachtig en stamelend vertelt hij wat er gebeurd is maar hij laat Robbie erbuiten, hij vindt het niet fair om de jongen te verklikken. Waarschijnlijk heeft hij het niet kwaad bedoeld en zo neemt Gaart de schuld volledig op zich. “Wát?? Ben je nou helemáál gek geworden?!!” buldert Karel woest. Met grote stappen beent hij zijn kantoor uit om de schade aan de kar te gaan bekijken en als hij die kapotte broodkar eenmaal gezien heeft is hij helemaal niet meer te houden. Hij gaat tekeer en scheldt Gaart uit voor alles wat lelijk is en Gaart? Gaart zegt niets. Geen woord spreekt hij, met gebogen hoofd laat hij de tirade over zich heen komen, de tranen springen hem in de ogen maar die slikt hij manmoedig weg. Als de baas even stil is waagt hij te zeggen: “Het was een ongeluk baas, het was zo vreselijk glad en de wagen werd onhoudbaar”. Opnieuw ontsteekt Karel in woede en hij verzekert Gaart dat die hem de kar gaat vergoeden, elke cent zal hij terugbetalen!! Gaart knikt en zegt dat hij heel hard zal werken om de schade te betalen maar Karel is nog niet klaar. “Je bent ontslagen!! Hoor je? Jij nietsnut, ga maar een andere baas ongelukkig maken maar betalen zal je!!!” Geschrokken kijkt Gaart Karel aan maar hij ziet aan het gezicht van de ander dat hier geen woorden meer helpen. “Je kunt meteen je biezen pakken, ik wil je hier niet meer zien alleen om elke week je geld hier te brengen voor de kapotte kar en het loon van deze week houd ik ook meteen in!!” Gaart is met stomheid geslagen en met gebogen schouders loopt hij het kantoor uit en gaat naar huis. Als hij buiten komt ziet hij daar Robbie staan die stiekem heeft meegeluisterd en hoewel hij best geschrokken is van wat hij allemaal veroorzaakt heeft doet hij alsof het hem niets kan schelen en steekt met een lelijke grijns zijn tong uit naar Gaart waarna hij snel naar binnen glipt.

—–

Als Gaart thuiskomt zit Nora, zijn vrouw, met een breiwerkje bij de brandende kolenkachel. “Ben je al thuis?” vraagt ze verbaasd, maar dan ziet ze zijn ontredderde gezicht en meteen legt ze haar breiwerk neer en gaat naar hem toe. “wat is er Gaart? Ik zie aan je gezicht dat er iets ergs gebeurd is, wat is er?” vraagt ze nogmaals dringend. Gaart heeft het gevoel dat zijn benen hem niet meer kunnen dragen en laat zich zwaar in zijn stoel vallen. Hij schudt zijn hoofd en kijkt Nora met ogen boordevol verdriet aan. Dan vertelt hij het hele verhaal en Nora, die bij hem op de leuning was gaan zitten, legt liefdevol haar arm om hem heen. “Hoe komt die jongen erbij om dit te doen, het was niet jouw schuld Gaart” zegt ze. “Nee, maar hoe moeten we nou verder? Waar vind ik een nieuwe baan? en waar moeten we van leven als ik al mijn geld bij Karel moet gaan brengen?” Gaart vraagt het wanhopig en Nora weet het ook niet, ook zij is van binnen verdrietig en bang voor de toekomst maar ze wil het Gaart nu niet laten merken, hij is al genoeg van streek door het gebeurde. Ze knielt bij hem neer, pakt zijn handen, kijkt hem liefdevol aan en zegt: “Zullen we eerst samen bidden lieverd? De Here God was erbij en Hij weet altijd weer een uitweg en een oplossing als we onze problemen bij Hem brengen”. Gaart knikt en samen sluiten ze hun ogen en brengen deze grote nood bij de Here God.

De andere morgen is Gaart al vroeg op pad om werk te gaan zoeken. Hij gaat bij diverse winkels langs en het duurt niet lang of hij heeft een nieuw plekje gevonden om te werken. Hij weet het zelf niet eens maar hij heeft in de loop der jaren een goede naam gekregen door zijn trouw en vriendelijkheid en hij is een aanwinst voor elk bedrijf. En zo begint hij als hoefsmid bij baas Dirk. Dirk van Loon is een eerlijke, vrolijke man en hij draagt Gaart een warm hart toe. Hij had een goed gesprek met hem gehad en begrepen dat Karel de Jong hem op staande voet ontslagen had door een ongeluk dat niet eens de schuld van Gaart was, het was door het weer gekomen, door de gladde brug, iets wat iedereen had kunnen overkomen. Maar Gaart had zijn vroegere baas niet zwartgemaakt en ook hier had hij Robbie niet verraden,  hij had alleen verteld dat hij de wagen had laten glippen en dat die nu helemaal kapot was waardoor de baas hem, Gaart, ook niet meer kon gebruiken. Jaja, Dirk denkt er het zijne van, hij kent de zure Karel en hij kan zich zo ongeveer wel denken wat er gepasseerd is. Nou, hij is maar wat blij met Gaart die het werk al snel onder de knie heeft en een harde werker is. De klanten van Dirk zijn verbaasd om Gaart hier aan te treffen maar de manier waarop hij de mensen én de paarden behandelt doet hen goed en ze zijn allemaal zeer tevreden over hem. Dirk is een goede baas en hij betaalt Gaart een eerlijk loon, waar Gaart overigens in eerste instantie zeer verbaasd over was, zoveel loon was hij niet gewend maar hij is er wél blij mee.

Die eerste zaterdag dat hij zijn loon heeft ontvangen loopt hij meteen naar de bakkerij van Karel. Hij klopt aan de achterdeur en als die geopend wordt door Karel zelf overhandigt Gaart zijn hele weekloon. “Alstublieft baas”, en hij tikt nog even aan zijn pet, draait zich om en gaat naar huis Karel in verbazing achterlatend. Krijgt dat miezerige mannetje zóveel loon? Dat verdient’ie helemaal niet, enfin, hij loopt terug naar zijn kantoor en bergt het geld weg.

Als Gaart thuiskomt kijkt Nora hem warm aan, “kom lekker zitten bij de kachel lieverd” zegt ze, “ik zet even een lekker vers bakje koffie”. Gaart gaat zitten en is blij dat hij niet hoeft te vertellen van zijn gang naar Karel en het hele loon dat hij hem moest overhandigen. Nora weet het immers en ze begrijpt heel goed dat het heel moeilijk is om al het verdiende geld af te dragen. Gaart maakt zich zorgen over hoe ze alles moeten betalen en als ze eerlijk is maakt zij zich er net zo goed zorgen over, maar als ze samen zijn proberen ze er niet teveel over te praten en steevast bidden ze ‘s avonds samen of de Here God uitkomst wil geven. Een uurtje later gaan ze aan tafel, Nora heeft een eenvoudig maar lekker maal gekookt en het smaakt voortreffelijk.

De dagen van Gaart zijn anders dan voorheen, zo hoeft hij niet meer midden in de nacht op te staan om brood te gaan bakken en hoeft hij ook niet meer na het bakken de straat nog op met de broodkar. Inplaats daarvan werkt hij nu redelijke uren, hij begint vroeg in de morgen tot laat in de middag maar hij doet het met alle liefde voor Dirk die een goede baas voor hem is. Tussen de middag mag hij in de grote woonkeuken van het huis van Dirk, dat aan de stalhouderij vastzit, zijn boterhammen opeten en dan krijgt hij van de vrouw van Dirk altijd een beker melk of een kopje thee, net wat hij wil. En als hij dan gegeten heeft gaat Dirk zelf eten, zo wisselen ze elkaar af. Ja, Gaart heeft het goed bij Dirk en hij is blij dat hij hier mag werken.

—–

De koude houdt aan en het vriest nu al een paar weken, op de vaart schaatsen de kinderen en over de sneeuw trekken de ouders hun kinderen op geïmproviseerde sleetjes voort. Als Gaart door de straten loopt vliegen de sneeuwballen hem soms om de oren en af en toe gooit hij er ook een paar terug, heerlijk zoals de jeugd weer vrij en blij kan zijn. Eenmaal thuis wrijft hij zijn handen om ze een beetje te warmen want ze zijn wel koud geworden van die sneeuwballen. Als hij wat later de kolenkit gaat vullen ziet hij dat de voorraad kolen angstwekkend is geslonken en hij ziet dat Nora zorgelijk kijkt. Als hij vraagt wat er is vertelt ze hem dat het eten bijna op is. Ze hadden een grote juten zak met aardappels en ook had ze een voorraad ingemaakte groente en Gaart had bij zijn vorige baas een grote baal meel gekocht, dat deed hij altijd, zodat hij thuis zelf brood kon bakken want van de baas mocht hij beslist nooit iets meenemen, liever nog gooide Karel het brood dat over was weg. Maar nu, nu ze al een paar weken geen inkomen meer hebben, raken de voorraden zo langzaamaan op. “Maak je maar geen zorgen Nora, ik vind er wel wat op” zegt Gaart en hij geeft haar liefdevol een kus. Ze houden zoveel van elkaar die twee.

—–

Daar waar Gaart niets tegen de buitenwereld zegt over zijn ontslag en de armoede thuis, doet Karel juist het tegendeel. Tegen een ieder die het maar wil horen bazuint hij rond dat hij Gaart heeft ontslagen omdat die zijn kar kapot had gemaakt en hij vertelt er triomfantelijk bij dat Gaart elke week zijn loon moet brengen, net zolang tot Karel een nieuwe kar kan kopen. De klanten, die door de loop der jaren stuk voor stuk van Gaart zijn gaan houden, zijn ontzet. Wat is deze man hard, hoe kan hij zó oneerlijk zijn? Het is de oude mevrouw de Wit die, als zij het verhaal uit de mond van Karel hoort, zich niet stil kan houden. “Maar bakker, wat oneerlijk! Gaart heeft hier jarenlang zo hard voor u gewerkt en door zoiets, iets dat niet eens zijn schuld is, ontslaat u hem? Hier kan ik niet over uit en ik vind het een zeer kwalijke zaak!!” zegt ze, en ze laat haar koekjes en de bonbons, die Karel zijn vrouw net voor haar heeft afgewogen, liggen en gaat er zonder nog een woord te zeggen vandoor.

Met driftige stappen loopt mevrouw de Wit richting haar huis als ze een kennis aan ziet komen. Ze houdt de kennis staande en vertelt, nog steeds verbolgen, het verhaal dat Karel haar gedaan had. Ook de kennis is ontzet en het duurt niet lang of de hele wijk weet wat er gebeurd is. In diverse huisgezinnen wordt er gesproken over de vriendelijke oude Gaart en zijn vrouw en men beseft dat hij momenteel dus totaal geen inkomsten heeft, ondanks dat hij hard werkt. Mevrouw de Wit heeft aan haar buren voorgesteld om Gaart en zijn vrouw wat toe te stoppen, oh, wel ongezien want anders zouden ze het niet eens willen, ze willen niemand tot last zijn. En zo kan het gebeuren dat er regelmatig zomaar boodschappen op de stoep staan, dat de kolenboer kolen komt brengen en zegt dat ze al betaald zijn maar dat hij niet meer weet door wie. Er wordt voorzien in aardappels en groenten en de molenaar doneert gul een zak meel. Gaart en zijn vrouw zijn diep onder de indruk van al deze goede gaven en ze danken de Here God ervoor. Met de huisbaas hebben ze gesproken, hem hebben ze wel hun situatie uitgelegd en hij heeft er alle begrip voor, tenslotte betalen deze mensen altijd keurig op tijd hun huur en als ze nu even moeilijk zitten en uitstel willen dan maakt hij er geen probleem van. En zo glijdt de bezorgde trek weg van de gezichten van Gaart en Nora en verheugen ze zich over zoveel goedheid.

—–

Karel en zijn vrouw merken dat er de laatste tijd steeds minder klanten komen, ze begrijpen er niets van, hun brood is toch goed? Ze hebben een nieuwe broodbakker aangenomen maar omdat hij het niet pikte dat hij óók nog achter de nieuwe broodkar moest lopen heeft Karel dan maar noodgedwongen eigenhandig die taak op zich genomen. Avond aan avond komt hij klagerig thuis, hij heeft last van zijn voeten, zijn rug, hij heeft het koud, hij is moe enzovoort enzovoort. Zijn vrouw wordt kregelig van zijn geklaag en zegt: “dan had je Gaart maar niet moeten ontslaan”. Karel doet er het zwijgen toe, hij beseft allang dat hij een grove fout gemaakt heeft. O niet dat hij spijt heeft omdat hij Gaart onheus behandeld heeft, nee hij baalt ervan dat hij nu zelf achter de kar moet lopen én dat de nieuwe bakker geen genoegen neemt met het kleine hongerloontje dat hij Gaart ook altijd uitbetaalde, terwijl die er nog veel meer werk voor verrichte. Ja, Karel heeft zichzelf lelijk in de vingers gesneden en daar is hij inmiddels wel achter gekomen.

Als Gaart aan het einde van de week zijn loon komt brengen zegt karel zo langs zijn neus weg: “tja, je zult wel balen dat je hier niet meer werkt hè? nou eigen schuld hoor”. Gaart kijkt hem open aan en antwoordt dat hij het heel erg naar zijn zin heeft in zijn nieuwe baan en dat hij ervan houdt met de paarden te werken en de klanten te woord te staan. Karel kijkt hem afgunstig aan en bedenkt zich dat Gaart dus duidelijk niet terug verlangt naar de bakkerij. Dat is een lelijke streep door de rekening van Karel die had willen proberen hem terug te krijgen voor hetzelfde hongerloontje als voorheen. Hij had gedacht dat Gaart niets liever deed dan broodbakken en dat hij dát toch wel heel erg zou missen maar niets is minder waar. Boos kijkt hij Gaart aan, en zegt: “nou, vooral veel plezier dan maar met die stinkbeesten”. Als Karel de volgende dag weer zelf met zijn broodkar op pad is is hij vreselijk chagrijnig, bah wat een rotwerk is dit, en het is ook veel te koud! Hij bedenkt dat hij voortaan Robbie wel mee kan nemen, die kan best al helpen, ja dat is een goed plan.

Als Robbie van zijn vader hoort dat hij voortaan mee moet om de broodkar te helpen duwen en het brood bij de mensen te brengen is hij woest. Hij schreeuwt tegen zijn vader dat hij er niet over denkt om mee te gaan!! “Ga maar lekker zelf, jij hebt Gaart toch ontslagen? Het is gewoon je eigen schuld!!” brult hij brutaal. Dát pikt zijn vader niet en met een fikse klap op zijn broek duwt hij hem de trap op naar zijn kamer. Op zijn kamer laat Robbie zich met een grote knal op het bed vallen en in zijn woede gooit hij alle boeken van het plankje boven zijn bed met veel lawaai door de kamer. “Stomme vent” prevelt hij en hij bedenkt allerlei plannetjes om onder het werk uit te komen. De volgende dag echter merkt hij wel dat hem dát niet gaat lukken. Als hij uit school komt staat zijn vader hem al op te wachten en nadat hij even binnen iets te drinken heeft genomen moet hij mee op pad. De boosheid straalt van het gezicht van de jongen af en als hij vriendjes van school lekker buiten ziet spelen dan is hij jaloers én hij schaamt zich dat hij, het rijke zoontje van de bakker die alles kreeg wat hij wilde, hier nu met zijn vader achter die stomme broodkar loopt te duwen. Hij ziet de verstolen grijns van de kinderen als ze hem zien duwen en hij hoort het gegiechel en gefluister achter hun rug als ze hen voorbij gaan en hij bezweert zichzelf dat hij wel wraak zal nemen op die rotjongens!!

Daar komen ze bij de brug, Karel en Robbie proberen wanhopig om de kar naar boven te duwen, het lukt niet, de brug is te glad en, net als Gaart laatst, glijden ook hun schoenen telkens weg maar hoewel er genoeg mensen zijn die hen zien worstelen is er nu niemand die even een helpende hand biedt. De mensen mogen Karel niet en Robbie evenmin en zo duurt het wel een half uur voor ze bovenaan de brug zijn. “Pfff Robbie, je kan toch wel een beetje harder duwen?” zegt Karel boos tegen zijn zoon. Robbie kijkt hem aan met grote boze ogen en roept brutaal dat hij zelf ook niet hard genoeg duwt. Karel doet er het zwijgen toe omdat hij niet op straat een hele scène wil uitlokken maar zodra ze thuiskomen wordt Robbie voor straf meteen naar zijn kamer gestuurd. Robbie is zo moe dat hij, met zijn kleren nog aan, bovenop zijn dekens in slaap valt en zo vindt moeder hem als ze hem een half uurtje later zijn eten komt brengen.

—–

Als Robbie de andere morgen wakker wordt herinnert hij zich nog vaag dat mama hem wakker had gemaakt en dat hij iets te eten had gekregen, maar hij was totaal uitgeput en had zich snel uitgekleed en was verder gaan slapen. Hij rekt zich nog even uit en als hij zijn moeder hoort roepen dat het tijd is om op te staan gaat hij zich wassen en aankleden. Beneden krijgt hij een lekker ontbijt en dan pakt hij zijn tas om naar school te gaan. Vader komt ook nog even de keuken in en zegt op barse toon dat hij gelijk na school naar huis moet komen zodat ze met de broodkar weg kunnen. Robbie smeekt zijn vader en moeder of hij niet een keertje mag overslaan maar ze zijn onverbiddelijk, nee, hij móét mee om het brood bij de mensen te brengen en zo gaat Robbie met een boos hart naar school.

Op school zijn er een paar jongens die hem plagen omdat ze hem gezien hebben met zijn vader. “Hé pappies jong, moet je vandaag weer mee om de kar te duwen voor je slome pa?” vragen ze en als ze zijn boze gezicht zien rennen ze snel de klas in, in de klas durft Robbie toch niets te doen. Maar Robbie zint op wraak, hij pikt dit niet, hij zál die jongens terugpakken!!

Als alle kinderen in het speelkwartier buiten op het plein zijn en ze lekker aan het sneeuwballen gooien zijn gaat Robbie naar de meester en vraagt hem of hij even binnen naar het toilet mag. Dat mag natuurlijk en Robbie verdwijnt snel naar binnen. In de gang kijkt hij spiedend om zich heen en als hij niemand ziet glipt hij snel het lokaal binnen en gaat meteen naar de tas van de meester. Hij doorzoekt de tas en als hij de portemonnee van de meester ziet pakt hij hem, maakt hem open en haalt er een paar briefjes van 10 gulden uit. Snel stopt hij de portemonnee terug en het geld legt hij achter in het kastje van Wim, de jongen die hem, volgens hem, het hardste pest. Zo, dat had hij maar mooi gefikst en met een tevreden grijns op zijn gezicht gaat hij terug naar het schoolplein.

Die dag gebeurt er verder niets, meester heeft nog niet gezien dat er geld uit zijn portemonnee weg is want onder de les heeft hij die natuurlijk niet nodig. Robbie heeft geduld, hij verkneukelt zich al bij voorbaat over het moment dat het uit zal komen. Nou, daar hoeft hij niet lang op te wachten. Als de kinderen de andere morgen in het lokaal zitten en ze de dag met gebed begonnen zijn kijkt meester met een ernstig gezicht de klas rond. “Jongens, ik heb iets met jullie te bespreken” zegt hij. “Er is gisteren geld uit mijn portemonnee weggenomen en dat kan alleen hier gebeurd zijn want toen ik van hier naar huis reed ben ik even langs de bloemenzaak gereden om voor mijn vrouw een bosje bloemen te halen en toen ik wilde betalen zag ik dat er 30 gulden weg was”. Meester kijkt de kring rond en ziet de geschrokken gezichten van de kinderen. Ook Robbie kijkt geschrokken, haha, nou zul je het hebben denkt hij ,maar hij kan zijn gezicht in de plooi houden en net doen of ook hij geschrokken is. “Is er iemand van jullie die het geld weggenomen heeft?” vraagt meester. “Het kan zijn dat jullie het nodig hadden voor iets belangrijks en dat je dit als een oplossing zag?” Hoofdschuddend kijken de kinderen hem aan, nee niemand heeft het gedaan en als de meester langs de gezichten kijkt die naar hem toegewend zijn vindt hij het ook eigenlijk ondenkbaar dat één van deze kinderen zijn geld gestolen zou hebben maar het is hem toch een raadsel, hij wist zeker dat het geld ‘s morgens nog in zijn portemonnee zat en het was later toch echt weg. “Ik zal erover nadenken wat ik hier verder mee moet maar nu beginnen we eerst maar met de les” zegt hij en hij begint de rekensommen op het bord te schrijven.

Robbie is met zijn gedachten niet bij de sommen, hij verzint hoe hij meester zo ver kan krijgen dat hij de “dief” vindt en hij krijgt een plannetje. Als ze na het speelkwartier weer in de klas zitten steekt Robbie zijn vinger op. “Ja Robbie, wat is er?” vraagt de meester. “Meester, ik vind het vervelend dat u zou denken dat iemand van ons uw geld gestolen zou hebben terwijl we dat echt niet gedaan hebben. Maar om het te bewijzen zou u dan toch al onze kastjes na kunnen kijken?” zegt hij schijnheilig. Ja, de klas is het meteen met hem eens, dát is een goed idee want ieder kind weet van zichzelf dat hij of zij het niet gedaan heeft. De meester vindt het eigenlijk een onaangenaam idee want hij vertrouwt de kinderen, maar als ze erop aandringen gaat hij de rijen af om de kastjes te bekijken. Het ene na het andere kind maakt plaats zodat de meester de kastjes kan leeghalen maar nergens vindt de meester zijn geld. Ook Robbie zijn kastje bevat geen geld maar dan komt meester bij Wim, ook Wim maakt gewillig plaats voor de meester want tenslotte heeft hij een schoon geweten. De meester buigt zich over het kastje, haalt er een paar dingen uit en dan, helemaal achterin voelt hij wat papier, hij haalt het eruit en tot zijn verbijstering zijn het 3 briefjes van 10 gulden. Als Wim het ziet wordt hij spierwit en trilt over zijn hele lichaam. “Ik heb het écht niet gedaan meester” zegt hij bijna huilend en hij kijkt meester smekend aan. De meester weet er niet goed raad mee, Wim kijkt hem zo eerlijk aan maar het geld lag wél in zijn kastje. “We zullen er na schooltijd samen over praten Wim” zegt hij en omdat de aandacht van de kinderen nu toch weg is laat hij ze het laatste uur maar tekenen.

—–

Als de bel gaat rennen alle kinderen naar buiten behalve Wim die stuurs in zijn bank blijft zitten. Robbie loopt met een triomfantelijke grijns langs hem heen naar buiten, zo die heeft zijn verdiende loon, denkt hij en snel loopt hij naar huis om met zijn vader die gehate broodkar weer te gaan duwen. De grijns verdwijnt van zijn gezicht en als een donderwolk komt hij even later thuis binnen waar hij snel een beker melk en een grote koek pakt voordat hij naar zijn pa loopt.

Wim zit met neergeslagen ogen te wachten tot de meester bij hem komt. “Vertel me eens Wim, hoe kan het dat ik het geld in jouw kastje vond? Had je het ergens voor nodig? Hadden ze het bij jou thuis nodig? Vertel het me maar jongen, ik ben niet boos op je, ik ben alleen verbaasd” zegt de meester. Wim kijkt hem open en eerlijk aan en zegt dat hij het écht niet weet. Hij heeft dat geld niet gepakt en hoe het in zijn kastje is gekomen weet hij niet. Voor de meester is het een raadsel, Wim lijkt echt eerlijk en oprecht maar hoe kan dat dan? Hij laat Wim naar huis gaan en zegt dat hij er nog wel verder over na zal denken maar dat hij Wim wel gelooft. Wim is opgelucht en gaat snel de klas uit, regelrecht naar huis waar hij het verhaal in geuren en kleuren aan zijn ouders vertelt.

—–

Als Robbie de andere morgen op school komt is hij heel benieuwd hoe het met Wim is afgelopen. Oh hij hoopt toch zo dat hij misschien wel door de politie is opgepakt of dat hij van school is gestuurd. Groot is zijn verbazing en teleurstelling als hij Wim gewoon op het schoolplein ziet lopen en hij loopt ook nog gewoon te dollen met een paar andere jongens, hoe kan dat nou? Eenmaal in de klas begint de meester met gebed zoals ze dat elke dag doen maar daarna pakt hij zijn stoel en vraagt de kinderen om in een kring bij hem te komen zitten. Nieuwsgierig pakken ze hun stoel en maken een kring. “Jongens, ik heb gisteren met Wim gesproken en hij weet ook niet hoe het geld in zijn kastje terecht is gekomen, hij heeft het niet weggepakt uit mijn portemonnee”. “Wát? En u gelooft dat meester? Het geld lag toch in zijn kastje? Hij liegt! Hij liegt!!” Robbie schreeuwt het uit, zijn teleurstelling is zó groot dat hij zichzelf niet meer in de hand heeft en alle voorzichtigheid uit het oog verliest. Alle kinderen kijken geschokt naar Robbie, hij beschuldigt Wim zomaar van liegen, en ook de meester luistert verbaasd naar de uitbarsting van Robbie. Haastig neemt hij het woord en zegt dat hij er nu niet verder over wil praten met ze maar dat hij het nog verder zal uitzoeken. De kinderen nemen hun stoelen mee en gaan aan hun tafeltje zitten om hun werk te maken. Mokkend gaat ook Robbie naar zijn tafeltje, hij is boos omdat zijn gemene plannetje niet de uitwerking heeft gehad die hij zich voorstelde maar verder voelt hij zich niet bang want hij weet zeker dat de meester er toch nooit achter komt dat hij het gedaan heeft.

Terwijl de kinderen rustig aan het werk zijn gaan de gedachten van de meester terug naar de heftige uitbarsting van Robbie, waarom had die jongen zo wild gereageerd? Hij snapt er niets van. De hele verdere dag blijft hij erover nadenken, wie zou het toch gedaan hebben en heeft hij ergens iets gemist? Is er iets dat hij zich zou moeten herinneren? Is er ergens een aanwijzing over wie het geld weggenomen heeft? De meester komt er niet uit.

Het wordt nog kouder, het vriest streng en als Gaart naar de stalhouderij gaat loopt hij diep weggedoken in zijn warme jas door de straat. Wat is hij blij dat hij nu niet in die kou achter de broodkar hoeft te lopen. Het broodbakken mist hij wel maar het duwen achter de kar niet. Hij heeft al een paar keer gezien dat Karel de Jong nu zelf achter de kar loopt en ook dat Robbie bij hem is. Volgens hem loopt de jongen niet vrijwillig mee, het gezicht van de jongen is steevast boos en opstandig en ach, Gaart heeft medelijden met hem. In de tijd dat hij bij Karel heeft gewerkt heeft hij dikwijls gemerkt dat er bijna geen tijd voor de jongen was.

Gaart is al vroeg begonnen en nu, net na 8 uur is hij door Dirk eropuit gestuurd om een paard op te halen bij één van de klanten. Het paard heeft nieuwe hoefijzers nodig en de klant kan hem zelf niet brengen. Nou geen probleem voor Gaart, hij gaat gewillig op weg om het paard op te halen. Hij is nog maar nauwelijks de straat uit of hij ziet dat Robbie hem, op weg naar school, tegemoet komt lopen. Robbie heeft hem niet meteen in de gaten maar als hij hem ziet maakt hij een schrikbeweging en kijkt snel om zich heen of hij ergens een zijstraat in kan glippen maar er is geen mogelijkheid tot ontsnappen en hij moet wel langs Gaart. Als ze elkaar dicht genaderd zijn groet Gaart de jongen vriendelijk. “Hallo Robbie, op weg naar school jongen? Het is koud hè?” zegt hij. Robbie zet grote ogen op, hij heeft een schuldig geweten en had deze vriendelijkheid niet verwacht. Hij stottert een paar woorden en maakt dan dat hij wegkomt. Gaart kijkt hem nog even na…

Op school lijkt alles gewoon maar er is een onderhuidse spanning die alle kinderen voelen. Het raadsel van het gestolen geld is nog niet opgelost en dat zorgt voor allerlei gissingen en verdenkingen. Ook de meester heeft nog steeds geen idee wat er nou toch gebeurd is tótdat er in het speelkwartier één van de meisjes komt vragen of ze even naar binnen mag om naar het toilet te gaan. Ineens is daar de herinnering aan de dag dat het geld verdween, het was Robbie geweest die toen had gevraagd of hij naar binnen mocht. Het was ook Robbie geweest die had voorgesteld om de kastjes te doorzoeken en het was wederom Robbie geweest die zo heftig had gereageerd toen de meester had gezegd dat hij Wim geloofde. Er komt een diepe denkrimpel boven de ogen van de meester, hij heeft nu wel een vermoeden en als de bel aan het einde van de schooldag gaat dan vraagt de meester of Robbie even wil nablijven. Robbie schrikt, wat wil de meester van hem? Hij probeert nog om weg te komen door te zeggen dat hij met zijn vader mee moet om de broodkar te duwen maar meester is onverbiddelijk en zegt dat het niet lang hoeft te duren. Onwillig blijft hij noodgedwongen zitten en dan komt de meester bij hem zitten en kijkt hem aan. “Robbie, heb jij het geld uit mijn tas genomen?” vraagt hij. Robbie verbleekt en schudt wild zijn hoofd. “Natuurlijk niet, u denkt toch zeker niet dat ik een dief ben? Mijn vader heeft geld genoeg, ik heb uw geld helemaal niet nodig” roept hij. De meester blijft rustig en terwijl hij Robbie blijft aankijken zegt hij: “Ik weet dat je het niet het weggenomen om er iets van te kopen Robbie, maar ik denk dat je het hebt weggenomen om opzettelijk Wim in de val te lokken, zo is het toch jongen?” vraagt de meester, en hij vertelt hoe hij erachter is gekomen dat het Robbie geweest moet zijn. Ja, daar kan Robbie niet tegenop en met gebogen hoofd bekent hij schuld. De meester begrijpt niet waarom Robbie het gedaan heeft en als hij vriendelijk doorvraagt kan Robbie zich niet meer groothouden. Hij vertelt aan de meester hoe hij nooit mee mag spelen, dat de andere kinderen hem niet mogen en dat ze hem buiten sluiten. Hij vertelt dat ze hem stiekem uitlachen als hij met de broodkar meeloopt en dat hij het hen betaald wilde zetten en daarom dit plan bedacht had. Als hij stilvalt zegt de meester niets, hij denkt na en bedenkt zich dat hij daar ook schuld aan heeft. Hij had beter op moeten letten en moeten merken dat de anderen Robbie links laten liggen. Toegegeven, Robbie was niet gemakkelijk maar met een beetje bemiddeling was het vast niet zo ver gekomen als nu het geval was.

Robbie die met neergeslagen ogen zijn verhaal had gedaan gluurt voorzichtig naar meesters gezicht. De meester begint te praten en spreekt zijn gedachten uit. Robbie kijkt verbaasd, krijgt hij niet op zijn kop? Hij snapt er niks van, hij had angst gevoeld dat de meester nu misschien wel met hem naar de politie zou gaan omdat hij gestolen had maar niets van dat alles. De meester praat rustig met hem, hij zegt dat hij kan begrijpen dat Robbie zich eenzaam voelde doordat niemand met hem om wilde gaan maar dat wat hij nu gedaan had natuurlijk niet goed was. De meester wil ook dat Robbie de andere dag voor de klas zijn excuses aan Wim zal aanbieden en verder wil de meester zelf vanavond bij Robbie thuis komen om met zijn ouders hierover te praten. Het valt Robbie niet mee, maar alles is beter dan naar de politie te moeten en zo gaat hij even later naar huis om daar alvast te vertellen van wat er gebeurd is en het bezoek van de meester aan te kondigen.

—–

Karel is woest als Robbie zo laat thuiskomt en geeft hem de wind van voren. Snel zorgt Robbie dat ze op pad kunnen met de kar, nu nog maar even niets vertellen, dat komt straks wel als mama er ook bij is. Na het eten, als ze nog met z’n drieën aan tafel zitten vertelt Robbie wat hij gedaan heeft. Zijn moeder kijkt hem vol ongeloof aan en schudt haar hoofd, zijn vader ontploft bijna van boosheid, wat een schande voor hun goede naam, is hij nou helemaal gék geworden? Karel heeft totaal geen begrip voor de jongen, hij ziet alleen de schande die dat jong hem aandoet en dat spreekt hij ook uit naar de meester als die een uurtje later bij hen binnenstapt. Robbie is naar bed gestuurd zodat de volwassenen ongestoord met elkaar kunnen praten. Karel kan er met zijn pet niet bij, hij begrijpt ook de eenzaamheid van zijn zoon niet, hij heeft het toch goed? Anita is anders, het is of haar een spiegel voorgehouden wordt en ze ziet daar ineens hoe ze Robbie wel altijd van alles hadden gegeven maar dat het hem aan echte warmte en aandacht had ontbroken en ze begrijpt dat hij jaloers geworden is op de andere kinderen. Ze kent haar zoon en ze kan ook begrijpen dat de andere kinderen hem vervelend vinden want hij kan soms onuitstaanbaar zijn. Toch heeft ze diep medelijden met haar zoon en ze neemt zich voor om hem veel meer aandacht te geven. Als de meester naar huis gaat is hij gerustgesteld dat in ieder geval de moeder van Robbie heeft ingezien dat er dingen moeten veranderen en dat haar zoon hulp nodig heeft, haar hulp én die van zijn vader…

De andere morgen gaat Robbie met lood in zijn schoenen naar school. Bij het ontbijt had zjin moeder hem geknuffeld en hem verzekerd dat ze er samen wel uit zouden komen. Robbie was blij geweest. Zijn vader had hij niet gezien, die was al aan het werk gegaan, hij had tijd nodig om alles te verwerken. Anita en hij hadden de vorige avond nog een heel gesprek gehad nadat de meester weggegaan was en uiteindelijk had ook Karel ingezien dat er dingen moesten veranderen en dat Robbie veel te kort was gekomen ondanks dat hij materieel alles had gehad dat hij wilde hebben.

Als de kinderen de klas binnenstromen gaat Robbie stil aan zijn tafeltje zitten en wacht met kloppend hart totdat de meester het woord zal nemen. De dag begint vandaag anders dan anders, normaal beginnen ze altijd met gebed maar nu gaat de meester eerst zitten en vraagt hen opnieuw om allemaal hun stoel te pakken en erbij te komen zitten. Nieuwsgierig scharen ze zich allemaal om de meester heen en dan zegt de meester: “Jongens, over een goede week is het kerstfeest en we hebben het daar de laatste tijd natuurlijk al vaker over gehad maar kan één van jullie nou nog eens vertellen waarom de Here Jezus naar de aarde is gekomen?” DIverse kinderen steken hun vinger op en als de meester een meisje aanwijst zegt ze: “De Here Jezus kwam naar de aarde als een klein kindje om onze zonden te vergeven”. “Dat klopt Ineke” knikt hij het meisje toe. “Hebben we dat dan allemaal nodig? Of zijn er ook mensen die geen vergeving nodig hebben, mensen die helemaal nooit iets fout doen?” vraagt hij en de kinderen grinniken, nee zulke mensen bestaan er niet, iedereen doet of zegt weleens verkeerde dingen. De meester knikt, hij heeft ze nu waar hij ze hebben wilde en nu kijkt hij Robbie aan. “Robbie heeft jullie iets te vertellen” zegt hij. De kinderen kijken verbaasd naar Robbie en zijn nieuwsgierig wat hij hun te vertellen heeft.

Robbie wordt vuurrood en met neergeslagen ogen vertelt hij wat hij gedaan heeft. Hij vertelt ook eerlijk dat hij zich jaloers en eenzaam voelde maar dat hij dit nooit had mogen doen en dan kijkt hij Wim aan en vraagt hem of hij hem alsjeblieft wil vergeven? Ook Wim is stomverbaasd maar hij knikt, ja hij wil Robbie wel vergeven, hij vindt het heel dapper dat Robbie zo eerlijk is om te vertellen wat hij gedaan heeft. De klas is er stil van en stuk voor stuk hebben ze medelijden en voelen zich schuldig tegenover Robbie. Ja ze hebben hem inderdaad links laten liggen en ook hebben ze hem uitgelachen en ze beseffen nu dat zij daar ook fout mee waren. Het is Wim die deze gedachten onder woorden brengt en dan is hij het die Robbie om vergeving vraagt. Robbie kijkt hem ongelovig aan, wat zegt Wim daar? Maar Wim steekt zijn hand uit naar Robbie en zegt: “zullen we voortaan vrienden zijn Robbie?” Robbie weet niet wat hem overkomt en hij schudt de hand van Wim en knikt heftig, “ja Wim, oh ja!” Ook de andere kinderen stemmen mee in en dan is het de meester die voorstelt om dan nu de dag met gebed te beginnen en met een dankbaar hart draagt hij de dag aan de Here op.

Robbie komt blij thuis uit school en vertelt zijn moeder hoe het op school gegaan is. Anita kijkt naar het blije snuitje van haar zoon en de tranen schieten haar in de ogen, waarom had ze toch niet eerder gezien dat hij zoveel liefde en aandacht te kort kwam. Ze schenkt hem een beker warme melk in en stopt hem een dikke koek toe en dan is het tijd om met papa de broodkar te gaan duwen. Gewilliger dan anders gaat Robbie zijn vader zoeken. Deze staat de kar al vol te laden met broden en zonder iets te zeggen doet hij het deksel dicht en zet de kar in beweging. Robbie kijkt naar het stuurse gezicht van zijn vader en durft niets te zeggen. Samen duwen ze de zware kar voort en vermoeid komen ze na uren weer thuis. Ze zijn helemaal koud geworden maar binnen is het warm en het ruikt er lekker naar eten. Hongerig valt Robbie op het eten aan en als ze klaar zijn met de maaltijd schraapt Karel zijn keel, “Robbie, ik ben heel erg boos op je geweest om wat je gedaan hebt. Ik keur het ook absoluut niet goed maar ik heb gisteravond nog lang met mama gesproken en ik begrijp dat je je door ons in de steek gelaten hebt gevoeld. We zijn ook veel aan het werk en hebben niet veel tijd voor je gehad. Mama en ik willen dat gaan veranderen, hoe dat moet daar moeten we nog even over nadenken maar het gaat in ieder geval veranderen jongen”. Robbie gaat naar zijn vader toe en slaat zijn armen om zijn nek, “dankjewel papa” zegt hij en Karel knuffelt hem, iets wat hij al heel lang niet meer gedaan had.

De week voor kerst is altijd de drukste week van het jaar voor de bakkerij, vader en moeder zijn heel druk maar omdat ze ook beseffen dat er voor Robbie tijd moet zijn hebben ze een aardige dame aangenomen die halve dagen in de winkel komt helpen zodat mama halve dagen in huis kan zijn. Ze is ze er elke middag als Robbie uit school komt en dan zit ze klaar met iets lekkers. Ook heeft ze de kamer versierd met wat hulst en kaarsen, en hier en daar een dennetak. Robbie vindt het zó gezellig, hij geniet er van. Hij gaat nog elke dag met zijn vader mee als hij op pad gaat met de broodkar maar zijn vader is nu een stuk vriendelijker en weet je wat leuk is? Als hij zijn vrienden van school tegenkomt lachen ze hem niet meer uit maar komen spontaan ook helpen. Robbie vindt dat zó fijn, hij is zelf ook veel vriendelijker geworden tegen zijn klasgenoten en gemene streken haalt hij niet meer uit. Hij is een stuk gelukkiger dan dat hij de laatste tijd was.

—–

Het is de laatste schooldag voordat de kerstvakantie begint. Robbie loopt van school naar huis, hij haast zich, nog één keertje de broodkar en dan zijn ze een paar dagen gesloten, heerlijk. Als hij naar huis loopt ziet hij in de verte de oude Gaart lopen en opeens vliegt het hem naar de keel. Hij had het hele voorval met de oude broodkar geprobeerd te vergeten maar nu komt alles hem weer haarscherp in herinnering en hij kan het niet meer van zich afzetten. Als een loden last ligt het op zijn hart en als hij thuiskomt móét hij er eerst over praten. Zijn vader staat al klaar met de broodkar maar hij vraagt of papa alsjeblieft eerst, samen met mama, naar hem wil luisteren. In de warme huiskamer gaat Robbie op de bank zitten, zijn handen friemelen onrustig aan zijn trui en hij kan geen begin vinden. Mama komt naast hem zitten, pakt zijn onrustige handen in de hare en zegt: “Vertel het maar jongen”. Dan breekt Robbie, de tranen rollen over zijn gezicht en met horten en stoten vertelt hij dat hij het was die de broodkar een duw had gegeven zodat Gaart hem niet meer houden kon. Het was zijn schuld dat de kar kapot was gegaan. Karel en Anita kijken elkaar ontzet aan, wat had hun jongen toch bezield? Boosheid en medelijden strijden om voorrang en uiteindelijk wint het medelijden. “Jongen toch, hoe kon je zoiets toch doen en waarom heb je dit niet eerder verteld? Nu hebben we Gaart onrecht aangedaan, al wekenlang brengt hij al zijn verdiende geld hier om de broodkar te vergoeden en ik weet niet eens of ze zelf nog wel te eten hebben” zegt mama. Geschrokken kijkt Robbie haar aan, dát had hij niet geweten en hij huilt nu nog harder, hij schaamt zich zo. Karel zegt niets…

Als ze wat later samen met de broodkar onderweg zijn is het een hele poos stil. Ieder is met zijn eigen gedachten bezig. Niet alleen Robbie schaamt zich, Karel schaamt zich net zo goed, hij had Gaart onterecht ontslagen en hem ook nog met plezier elke week zijn loon laten afdragen. Oh Karel is op dit moment bepaald niet trots op zichzelf en hij bedenkt hoe hij dit goed kan maken. Het is Robbie die op een gegeven moment zegt: “Papa, als we straks de ronde hebben gedaan wil je dan samen met mij naar Gaart? Ik wil hem mijn excuses aanbieden, ik schaam me dat ik zo lelijk heb gedaan en ik wist helemaal niet dat hij geen geld meer had, en dat terwijl hij mij niet verraden heeft. Hij was zelfs gewoon vriendelijk tegen me toen ik hem laatst tegen kwam”. Ja, Karel knikt, “dat is goed mijn jongen, dan gaan we straks samen”. Karel heeft deze afgelopen dagen een harde les geleerd, hij heeft zijn fouten gezien en hij heeft ook gezien wat dat met zijn jongen gedaan heeft maar hij ziet nu ook wat hieruit voortgevloeid is voor Gaart en zijn vrouw. Karel weet wat hem te doen staat.

Na de ronde met de broodkar gaan Karel en Robbie eerst thuis eten en als Anita hoort dat ze daarna nog naar het huisje van Gaart en zijn vrouw gaan is ze daar van harte blij mee. “Neem wat lekkere koekjes voor ze mee” zegt ze en ze gaat zelf de winkel in om een grote zak te vullen met de lekkerste koekjes die ze hebben, ze hebben veel goed te maken bij deze mensen. Voordat Karel en Robbie op pad gaan gaat Karel eerst nog zijn kantoor in om iets te halen en daarna lopen ze door de koude avond naar het huisje van Gaart.

Nora en Gaart kijken verbaasd op als er nog zo laat aan de deur geklopt wordt, ze verwachten geen bezoek, wie zou daar zijn? Gaart gaat de deur open doen en als hij ziet wie er voor de deur staan nodigt hij ze spontaan binnen. Hij koestert geen wrok en hij is oprecht blij om Karel en Robbie te zien staan. “Kom er gauw in, binnen is het lekker warm” zegt hij en schoorvoetend stappen de twee over de drempel. “Dit moest ik u geven van mama” zegt Robbie timide terwijl hij de grote zak met koekjes aan Nora overhandigt. “Dat is lief, dankjewel hoor” zegt Nora en ze loopt naar de keuken om iets te drinken te maken voor de gasten. Even later komt ze  met koffie voor de groten en warme chocolademelk voor Robbie weer binnen. De koekjes heeft ze op een mooie schaal gelegd en die presenteert ze erbij. In stilte genieten ze even van de warme drank en dan neemt Karel het woord.

Hij schraapt zijn keel en zegt dan: “Gaart, ik heb je onrecht aangedaan. Vanmiddag heb ik van Robbie gehoord dat hij het was die de broodkar een duw heeft gegeven waardoor hij van de brug gleed. Hij was degene die schuldig was en jij hebt hem de hand boven het hoofd gehouden. Je hebt hem niet verraden en al begrijp ik niet waarom je dat deed, ik vind het wel bewonderenswaardig”. Karel is even stil en Robbie vult hem aan “Ja Gaart, het spijt me dat ik dat gedaan heb en het spijt me ook dat ik het niet eerlijk tegen papa gezegd heb” zegt hij, “en dankjewel dat je me nooit verraden hebt” fluistert hij er zachtjes achteraan. “Het is goed mijn jongen” zegt Gaart, “ik weet toch dat je geen slechte jongen bent en ik heb gewoon gewacht tot je het zelf zou vertellen en dat heb je nu gedaan en ik ben trots op je dat je zo eerlijk bent geweest en ook dat je zo moedig bent om nu je excuses te maken”. Hij geeft de jongen een aai over de bol en kijkt hem liefdevol aan. Karel is onder de indruk van de houding van Gaart en hij neemt opnieuw het woord “Gaart, het spijt me dat ik je onrechtvaardig heb behandeld want ook al was het wél jouw schuld geweest dan had ik je nog niet zo mogen behandelen en ik had zéker niet al je loon op mogen eisen”. Hij haalt een envelop uit zijn binnenzak en overhandigt die aan Gaart. “Hier is al het geld dat je tot nu toe aan mij hebt betaald, het is jullie geld, je hebt er hard genoeg voor gewerkt en het komt jullie toe¨ zegt hij. Gaart neemt het blij in ontvangst en ook Nora is blij. Nu kunnen ze de huisbaas betalen. “Dankjewel Karel, dit stel ik heel erg op prijs”. zegt hij. “Gaart, zou je willen overwegen om weer voor mij te komen werken? En dan voor hetzelfde loon als je nu bij de stalhouderij verdient? De man die nu voor mij werkt wil ermee stoppen, het vroege opstaan wordt hem teveel. En oh ja, dan alleen om brood te bakken want de broodkar blijf ik zelf wel duwen, samen met Robbie, nietwaar?” Robbie knikt, nu zijn vader zoveel vriendelijker is vindt hij het ook niet meer zo erg om mee te lopen. Gaart knikt, hij wil wel graag weer terug in de bakkerij, broodbakken is immers zijn lust en zijn leven. Hij belooft met Dirk te gaan praten en zodra hij daar weg kan komt hij weer voor Karel werken. Karel is blij en niet veel later gaat hij met Robbie samen weer huiswaarts.

Mama zit thuis op hen te wachten en ze is blij als ze hoort hoe het afgelopen is. Robbie moet snel naar bed, het is al laat, en als hij naar bed is praten Karel en zijn vrouw nog lang na, er zal veel veranderen, maar het zijn veranderingen ten goede en met een blij gevoel zoeken ze wat later ook hun bed op.

In het huisje van Gaart heerst blijdschap. “Wat heerlijk Gaart” verzucht Nora, “nu weet Karel wat er echt gebeurd is en nu heb je je loon teruggekregen én je baan” Gaart knikt eens, “Ja, Nora, de Here God zorgt zo goed voor ons, wij hebben onze zorgen bij Hem gebracht en Hij heeft ons gebed verhoord”, Nora kijkt hem liefdevol aan en zegt: “ondanks dat we geen geld hadden heb ik me toch rijk gevoeld, De Here God heeft voorzien in alles wat we nodig hadden”. Stil zitten ze nog een poosje bij elkaar en dan zegt Gaart: “Overmorgen is het kerstfeest, maar in ons hart is het eigenlijk elke dag kerstfeest, daar woont de Here Jezus, daar woont Zijn vrede en Zijn liefde”, Nora knikt stil en voordat ze naar bed gaan vouwen ze de handen en danken ze de Here God voor Zijn liefde, ZIjn trouw, Zijn zegeningen en voor al het goede dat Hij hen ook deze dag heeft gegeven.

Het zijn twee dankbare mensen die even later achter elkaar de trap op stommelen om te gaan slapen, Nora en haar “oude” Gaart.

shutterstock-162164132[1]

Ik wens een ieder hele mooie kerstdagen en een goed en gezegend 2019!

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

1e Kerstverhaal 2018: Slaap maar lekker Liselotje.

christmas-tree

Tegen de wind in worstelt Linda zich door de natte straten van de stad. Brrr, wat een verschrikkelijk weer, hier houdt ze helemáál niet van. Bah, met een boos gezicht opent ze de deur van de winkel waar ze werkt en kwakt haar natte jas aan de kapstok. Voor het kleine spiegeltje probeert ze haar haren wat te fatsoeneren maar veel eer kan ze er niet aan behalen. Al mopperend komt ze het warme keukentje binnen: “ik háát die storm en die regen, ik ben doorweekt en ijskoud!!” “Ook goedemorgen Linda” glimlacht Christa, de eigenaresse van het leuke winkeltje. Christa is een vrolijke en gezellige dame van net 50 jaar. Meestal ziet ze overal wel een lichtpuntje en een stukje humor geeft haar gezicht een lieve lach, iets wat haar tot een innemende persoonlijkheid maakt. “Kom kind, ga even lekker zitten dan krijg je van mij een vers bakje koffie om wat op te warmen” zegt ze terwijl ze de daad bij het woord voegt en twee mokken koffie inschenkt. Ze hebben samen best nog even tijd om wat te kletsen voor de winkel open gaat want ze zijn er altijd een kwartiertje eerder zodat ze niet gehaast de winkel open hoeven te gooien en dat bevalt hen beiden goed. Behalve Linda heeft Christa geen andere medewerkers want haar winkeltje is niet heel groot en samen kunnen ze het goed aan.

Eenmaal aan de kleine tafel met een mok koffie koesterend in beide handen komt Linda een beetje bij. Het warme vocht zorgt ervoor dat ze een beetje ontdooit en dat de zure trek van haar gezicht verdwijnt. Ze is pas 23 en dus nog erg jong maar ze gedraagt zich vaak stuurs en afstandelijk en ze lijkt ouder uit dan ze eigenlijk is. Toch, als de winkel eenmaal open is en ze de klanten te woord staat weet ze altijd weer om te schakelen en met een vriendelijke glimlach de mensen te helpen. Menig klant vertrekt dan ook tevreden en Christa heeft niet te klagen over haar werkneemster.

Als de koffie op is zegt Christa: “Kom eens mee Linda, ik ben gisteravond nog lang bezig geweest om de winkel een beetje in de kerstsfeer te brengen aangezien de kerstdagen weer in aantocht zijn”. Linda staat van haar stoel op en volgt Christa de winkel in. Het ziet er heel erg gezellig uit in de winkel, er staat een gezellig kacheltje te snorren en overal hangen lichtjes, op de kastjes en tafeltjes staan kaarsen en hier en daar zijn wat dennentakken en hulst neergelegd. Het ziet er knus en gezellig uit in de winkel waar wat kleinmeubelen, kunst en leuke accessoires verkocht worden. Bij de kachel is voor deze gelegenheid een lekkere bank neergezet en ook het hoogpolige kleed onder de kleine salontafel nodigt uit om er lekker behaaglijk je voeten in te begraven. Linda zou er zo gaan zitten met een gezellig boek, hé ja, dat zou heerlijk zijn. Ze prijst Christa om het mooie resultaat dat deze heeft bereikt met haar harde werken. “Gezellig Chris, wat heb je je best weer gedaan, de klanten zijn hier vast niet meer weg te krijgen” zegt ze. Christa loopt naar de deur en draait deze van het slot, daarna gaat ze naar de toonbank en zorgt voor wat gezellige, sfeervolle kerstmuziek. “Zo, we zijn er helemaal klaar voor, laat de klanten maar komen” zegt ze. Linda kijkt haar warm aan, ze weet hoe hard Christa werkt en ze gunt haar het succes dat haar winkeltje heeft. Er zijn vele vaste klanten die regelmatig komen kijken of er nieuwe dingen in de winkel staan en aangezien Christa een heel goede smaak heeft koopt ze altijd mooie spullen in die dikwijls al heel snel hun weg vinden naar de  huizen van de klanten. Het duurt dan ook niet lang of de winkelbel rinkelt en kondigt de eerste klant aan en de verdere morgen is het een komen en gaan van mensen die een stukje gezelligheid komen opsnuiven en steevast met een nieuwe aanwinst de deur weer uitgaan.

—–

Christa en Linda hebben het zo druk dat ze niet merken dat er ‘s middags een meisje van een jaar of 9 een hele tijd met grote ogen voor het etalageraam staat en verlangend alle gezelligheid indrinkt die ze daarbinnen ziet. Als het al donker begint te worden loopt ze langzaam verder, ze merkt niets van de kou en de regen, ze is diep in gedachten en vervolgt haar weg naar huis. Als ze door de achterdeur binnenkomt doet ze haar natte jas en schoenen uit en gaat dan de koude woonkamer in. “Ach Liselotje, wat ben je laat en je bent ook helemaal nat en koud” zegt mama. “Pak snel de plaid en ga daar maar lekker onder, dan maak ik een kopje thee voor je”. Maria, de moeder van Liselotte loopt naar de keuken en zet een ketel water op het gas om thee voor hen beiden te maken. Even later komt ze met twee dampende kopjes thee de kamer weer in. Nee, er is niets lekkers voor erbij maar Liselotte vindt het al gezellig om samen met mama van de hete thee te genieten en zo, met de plaid om zich heen wordt ze langzaamaan weer een beetje warm. Liselotte kijkt eens om zich heen, de woonkamer is nogal kaal, ze hebben geen tv, en geen eettafel, en ook is het er altijd koud omdat ze de kachel bijna nooit aan hebben. “Ga jij maar even boven bij papa zitten Lotje, dan ga ik ondertussen het eten klaarmaken. Bij papa is het lekker warm” zegt Maria en terwijl Liselotte naar boven gaat loopt ze met een bezorgd gezicht naar de keuken. Ze doet de koelkast open en zucht, er staat niet veel in en ze piekert erover wat ze nou toch weer te eten moet maken. Herman, haar man, is nu al zo lang ziek en Maria maakt zich ernstig zorgen over hem. Het is zijn rug, hij zou eigenlijk een operatie nodig hebben maar omdat ze zo weinig geld hebben zijn ze niet volledig verzekerd en kan hij niet geopereerd worden. De dokter heeft hem wel medicijnen voorgeschreven die de pijn een klein beetje verminderen maar echt veel helpt het niet. Er zijn dagen dat hij helemaal zijn bed niet uit komt en op andere dagen loopt hij hooguit een heel klein stukje in huis. Maria zorgt ervoor dat de kamer waar Herman ligt altijd warm is maar in de rest van het huis is het kil en ongezellig. Als Herman sporadisch beneden komt ziet hij het met lede ogen aan. De paar armoedige meubeltjes en de kou, het doet hem pijn want hij gunt zijn vrouw en dochter zoveel meer, zoveel beter dan dit. Het zijn zorgen die hem dikwijls uit de slaap houden en Maria vergaat het al niet veel beter maar beiden proberen zich groot te houden voor hun lieve Liselotje, hun oogappel en het zonnetje in hun leven. De deur van de slaapkamer kiert open en het glunderende snoetje van Liselotte kijkt om een hoekje. “Hoi paps, hoe gaat het vandaag met je?” vraagt ze en Herman lacht haar toe en zegt: “Goed hoor Lotje, kom gezellig bij me zitten en vertel eens hoe het vandaag op school was”.

Liselotte gaat bij papa op het bed zitten en vertelt van school, hoe ze bezig zijn om kerstliedjes in te studeren en ook een toneelstukje. “Het wordt zo gaaf pap” zegt ze. “Ik hoop maar dat je snel beter wordt en dat je dan meekan naar de kerstavond op school”. Papa glimlacht naar zijn meisje en zegt dat hij zijn uiterste best zal doen om zo snel mogelijk beter te worden. Liselotte lacht blij naar hem en ze zingt voor hem alvast de liedjes die ze al kent. Herman geniet van haar heldere stemmetje en koestert die mooie momenten met zijn kleine meisje. Als mama even later met het eten voor papa binnenkomt helpt ze hem om een klein beetje rechterop in de kussens te komen zitten zodat hij kan eten. Als hij het blad op zijn schoot heeft gaat Maria met Liselotte naar beneden om ook te gaan eten. Het is een sober maal, eigenlijk gemaakt van de restjes die Maria nog vond maar niemand klaagt erover. Herman proeft vooral de liefde en zorg waarmee Maria het voor hem heeft klaargemaakt en Liselotte is een gezonde jongedame die met smaak haar eten opeet. En ondanks de armoede die er in dit gezin heerst voelen ze zich allemaal rijk, rijk omdat ze elkaar hebben en omdat ze van elkaar houden, het is een huis waar liefde woont.

Hoe anders is dat bij Linda. Zij heeft een eigen appartementje. Toen ze 18 was is ze thuis weggegaan en er nooit weer teruggekeerd. Bah, ze haat haar familie, haar ouders, haar zus, nee ze wil ze nooit meer zien!! Boosheid woont in haar hart en die boosheid zorgt ervoor dat er geen plaats is voor liefde en vrede. Het vriendelijke gezicht dat ze in de winkel tentoon spreidt is een masker dat van haar gezicht valt zodra ze de winkeldeur weer achter zich sluit. Boosheid en ontevredenheid voeren in haar leven de boventoon en eigenlijk kan ze er al zo lang geen kant mee op, het benauwd haar steeds meer maar ze weet niet hoe ze er iets aan kan veranderen.

—–

Als Linda de volgende dag even alleen in de winkel is laat ze haar ogen door de gezellig ingerichte zaak gaan. Die haard met die bank ervoor, het brengt herinneringen aan heel vroeger naar boven want bij haar thuis was het vroeger ook zo gezellig geweest. Met kerst was alles versierd, mama had de kaarsen aangedaan en papa had kerstmuziek opgezocht en zo hadden ze met elkaar rond de rijk gedekte tafel gezeten, gezellig met elkaar pratend over van alles en nog wat. Linda schudt ongemerkt haar hoofd als wilde ze de gedachten eruit schudden. Niet aan denken zegt ze tegen zichzelf en zonder dat ze het merkt wellen er tranen op in haar ogen. Terwijl ze nog hoofdschuddend daar staat rinkelt de winkelbel en komt Christa binnen. Ze was eropuit geweest om nieuwe spullen te gaan kopen en vergenoegd handenwrijvend komt ze binnen. “Ik heb goede zaken gedaan Lin” zegt ze blij. Linda kijkt op en dan ziet Christa de tranen in haar ogen. “Wat is er meisje” zegt ze bezorgd. Linda veegt snel langs haar ogen en zegt dat er niets is. Christa merkt de terughoudendheid van Linda en laat het er voor nu maar bij, misschien kan ze er later nog op terugkomen denkt ze.

Klokslag half 4 staat Liselotte weer met haar neusje tegen de winkelruit gedrukt en nu ziet Christa haar staan. Het is niet zo druk vandaag en daarom valt haar het kleine meisje op dat daar al een hele tijd staat. Vriendelijk lachend loopt ze naar de deur en doet hem open om Liselotte aan te spreken. Deze schrikt een beetje maar Christa stelt haar gerust. “Vind je het zo mooi hier?” vraagt ze. Liselotte knikt verlegen. “Je mag best even binnenkomen hoor” zegt ze vriendelijk. Liselotje kijkt haar verheugd aan, “en mag ik dan heel eventjes op die bank bij dat vuur zitten?” vraagt ze verlangend. Christa is verbaasd maar laat het niet merken en zegt spontaan dat dat natuurlijk mag. Liselotte stapt naar binnen en laat zich heel voorzichtig op de bank zakken. “Ik zal niets vuil maken hoor” zegt ze. Christa glimlacht en loopt naar het kleine keukentje om een lekkere beker chocolademelk voor deze kleine dame te gaan maken. Als ze even later terugkomt en de beker aan Liselotte overhandigt krijgt deze een kleur en neemt met een gefluisterd bedankje de beker in beide handen. Tjonge wat een traktatie, dat kreeg ze thuis niet en met kleine slokjes geniet ze van de warme drank. Christa ziet het meisje zichtbaar genieten en ook Linda kijkt naar het kind daar op de bank en haar ogen verzachten zich.

Omdat er op dit moment toch geen klanten zijn laat Christa zich naast Liselotte op de bank zakken en maakt een praatje met haar. “Ik ben Christa, hoe heet jij?” vraagt ze. “Ik ben Liselotte” zegt deze en voordat Christa verder nog iets kan vragen begint ze te vertellen dat ze het zo mooi en zo gezellig vindt. De haard, de bank, het heerlijke kleed waar ze wel zo op zou willen gaan liggen. “Elke dag als ik uit school kom dan loop ik hier langs en dan blijf ik een poosje staan kijken en dan stel ik me voor hoe het zou zijn als het er bij ons thuis zo uit zou zien” zegt ze. Christa vraagt of het er bij haar thuis dan heel anders uitziet en Liselotte vertelt dat ze heel weinig meubels hebben en dat het eigenlijk altijd koud is, behalve bij papa in de kamer want die is ziek. “Maar dat is niet erg hoor want mama heeft speciaal voor mij een deken neergelegd en die doe ik dan lekker om me heen en dan heb ik het ook warm” zegt Liselotte blij. Onbevangen kijkt ze Christa aan en ze vertelt verder over haar vader en moeder en dat papa al zo lang ziek is maar dat hij beloofd heeft om zijn best te doen zo snel mogelijk beter te worden. Christa luistert stil naar het verhaal van dit jonge meisje dat zo open vertelt over haar thuis maar waar Christa, terecht, een diepe nood achter vermoedt. Ook Linda heeft het verhaal mee aangehoord en die twee kijken elkaar eens aan over het hoofd van de kleine Liselotte. Inmiddels is het al behoorlijk schemerig geworden en Christa zegt tegen Liselotte dat ze maar snel naar huis moet gaan omdat haar moeder zich anders ongerust zal maken. “Je mag gerust na schooltijd hier een poosje komen zitten hoor” zegt Christa, “maar zeg het dan wel even tegen je mama zodat ze weet waar je bent” zegt ze er nog achteraan en met een blij gezichtje loopt Liselotte naar huis om haar moeder te vertellen van deze ontmoeting in de mooie winkel.

Als Liselotte wat later samen met mama bij haar vader op het bed zit vertelt ze in geuren en kleuren over die aardige mevrouw in de winkel en over de heerlijke snorrende kachel en het warme kleed. Maria en Herman kijken naar het blije gezichtje van hun meisje en hun hart doet pijn omdat zij hun dochter dit niet kunnen bieden. Zó graag zouden ze haar een heerlijk warm thuis geven met van alles in overvloed maar helaas kunnen ze dat niet en dat doet hen pijn. Liselotte heeft daar helemaal geen erg in, zij is blij met haar thuis en haar ouders en zij voelt de liefde en niet de armoede en het is dan ook een blij meisje dat wat later tevreden in haar koude kamertje onder de dekens kruipt. Ze denkt nog even na over het verhaal dat papa voorlas. Het is vaste prik dat papa, voordat Liselotte gaat slapen, nog voorleest uit de kinderBijbel. Ze mag dan gezellig naast hem liggen op het bed. Mama komt er ook altijd bij zitten en met zijn drieën bidden ze dan nog voordat Liselotte haar bedje in gaat. Bijzondere momenten zijn dat.

—–

De andere middag komt Liselotte blij de winkel weer instappen en groet de beide dames vriendelijk. Behoedzaam gaat ze weer op de heerlijke bank zitten en als Christa even later weer met warme chocolademelk aankomt neemt ze die dankbaar aan en geniet er met volle teugen van. “Heerlijk” zucht ze als het op is. Christa en Linda glimlachen er beide om. Liselotte vertelt dat haar moeder nu weet dat ze hier is en als Christa vraagt waar ze woont vertelt Liselotte dat ze één straat verderop woont. “We wonen op nummer 38” zegt ze. Christa is gerustgesteld dat het kind dan niet ver hoeft als ze de winkel uitgaat. Vrijmoedig vertelt Liselotte iets meer over hoe het bij hen thuis aan toe gaat en het is vooral Linda die geraakt wordt door de tevredenheid en de blijdschap die dit kind uitstraalt. Ondanks dat ze thuis blijkbaar niet veel hebben is ze toch tevreden. Het is iets waar ze lang over na blijft denken, ook als ze ‘s avonds in haar appartementje is. Ze heeft lekker voor zichzelf gekookt en nu zit ze met een kopje koffie op haar mooie bank en kijkt haar huisje rond. Mooi is het, allemaal spullen die ze bij elkaar heeft gespaard en waarmee ze haar huisje heeft gevuld. Spullen waar ze blij mee is maar waar ze niet dankbaar voor is want dankbaarheid is iets dat Linda niet kent…

Terwijl ze daar op de bank zit en nog nadenkt over Liselotte komen haar gedachten ook meteen weer aan bij haar eigen thuis. Bij haar ouders die haar nooit gegeven hadden wat ze nodig had. Andere kinderen hadden mooie fietsen en zij kreeg één of ander tweedehands ding!! Andere kinderen hadden merkkleding en zij had van dat goedkope spul waar ze zich vreselijk voor schaamde. De anderen hadden bergen zakgeld en zij kreeg maar 5 euro in de week. Belachelijk had ze dat gevonden! Toen ze 16 was was ze gaan werken in een winkel als vakkenvuller en het geld dat ze daarmee verdiende had ze opgemaakt aan allerlei dure dingen. Ze had ermee geshowd naar de anderen in haar klas. Kijk eens wat ik heb. Maar voor de andere kinderen was het niet bijzonder en die hadden er ook weinig op gereageerd. Die vonden het blijkbaar niet belangrijk, nou zij wél!! Linda voelt weer de boosheid in zich naar boven komen als ze al deze dingen overdenkt. Toen ze 18 was is ze meteen het huis uit gegaan, ze was gestopt met school en hier bij Christa gaan werken waardoor ze zich een klein appartementje kon veroorloven en beetje bij beetje had ze al haar spulletjes bij elkaar gewerkt en gespaard. Ja, dat had ze toch maar mooi voor elkaar. Ze kijkt haar kamer nog eens rond maar echt voldoening geeft het niet, niets geeft haar echt voldoening. Nog steeds is ze ontevreden, er is niets dat haar echt blij kan maken. Zuchtend staat ze op van haar bank, doet de lichten uit en gaat slapen.

—–

De andere morgen, na haar ontbijt, stapt Linda op de fiets om naar haar werk te gaan. Het is een drukke ochtend met veel klanten en ze verkopen aardig wat. Christa is blij en als ze tussen de middag hun boterham eten in het kleine keukentje praten ze samen nog even over de kleine Liselotte, zou ze vanmiddag weer komen? Lang hoeven ze niet te wachten want het is woensdag en dan is ze ‘s middags vrij. Om 1 uur komt ze binnenstappen en Christa en Linda begroeten haar lief. “Dag dametje, je bent vroeg vandaag” zegt Christa. “Ja dat komt omdat ik vanmiddag vrij heb” glundert Liselotte. Na de lekkere chocolademelk kijkt Liselotte Christa aan en verzucht dat ze het zo heerlijk warm vindt. Christa zegt dat ze er lekker van mag genieten en gaat de klanten helpen die binnenkomen. Liselotte zit op de bank en kijkt genietend rond. Christa en Linda zijn alle twee bezig en vanaf haar plekje bekijkt Liselotte hen. Het valt haar op dat Christa er blij uit ziet maar dat Linda wel lacht maar op de één of andere manier voelt het kleine ding dat ze niet echt blij is. Als de klant van Linda de deur uitgaat loopt ze wat verlegen naar haar toe. “Eh Linda” zegt ze. “Zeg het eens kabouter” zegt deze. “Ben je verdrietig?” vraagt Liselotte. “Hoe kom je dáár nou bij?” vraagt Linda verbaasd. “Nou, ik weet niet, je ziet er niet echt blij uit” probeert Liselotte haar gevoel uit te leggen. Linda kijkt het kind aan en realiseert zich hoe dit kleine meisje dwars door haar façade heenprikt. “Jawel hoor, ik ben best wel blij” probeert Linda haar met een extra vrolijke lach te overtuigen. Liselotte vraagt niet verder en gaat wat later die middag naar huis met een tas vol lekkers dat Christa haar toestopt. “Kijk eens, neem maar mee naar huis, ik heb een beetje teveel gekocht voor mezelf”. Het kleine ding neemt het blij in ontvangst en huppelt naar huis.

Als Liselotte de deur binnenstapt roept ze al vanaf de mat “Ma-am, kijk eens wat ik heb meegebracht, Christa had teveel gekocht voor zichzelf en nou mogen wij het hebben”. Als Maria de tas opent en bekijkt wat erin zit dan weet ze wel beter, Christa moet dit speciaal voor hen gekocht hebben want dit zijn geen dingen die je “zomaar” teveel koopt voor jezelf. Desalniettemin is ze er wel heel erg dankbaar voor, wat een feest, nu kan ze vanavond iets lekkers te eten maken en oh kijk eens, er zit ook koffie en chocolademelk in, daar gaan ze vanavond ook eens heerlijk van smullen. Met een blij hart staat ze even later in de keuken en ze doen het feestmaal alle eer aan. Als Liselotte die avond naar bed is zitten Maria en Herman samen te overleggen hoe ze Christa kunnen bedanken. “Ik ken die winkel wel, ik denk dat ik er morgen dan maar even langs ga om die mevrouw persoonlijk te bedanken voor haar gulle gaven” zegt Maria. Herman knikt, dat is een goed idee en samen genieten ze van een heerlijk kopje koffie.

—–

Linda is in een nadenkende bui thuisgekomen. Ze begrijpt niet hoe zo’n klein meisje dwars door haar heen kan kijken. Ze deed toch zo haar best om aardig te zijn en de hele dag de mensen vriendelijk te helpen. Toch kan ze er niet omheen dat Liselotte wel raak geprikt had, ze was inderdaad niet blij, ze is nooit blij. Maar verdrietig is ze ook niet, ze is gewoon boos. Ja, dat is ze, boos!! Ze smijt het tijdschrift dat ze in haar handen had op de grond en boos gaat ze de lampjes uit doen…

De volgende morgen komt er een dame de winkel binnen en vraagt naar Christa. Linda wijst naar Christa en zegt dat ze bij haar moet zijn. Christa heeft de vrouw gezien en komt naar haar toe. “Ik ben Maria” zegt de vrouw, “de moeder van Liselotte”. “Oh, dat is leuk dat ik u leer kennen, ik ben Christa” zegt Christa. “Ik wil u graag heel erg bedanken dat u zo vriendelijk voor mijn Liselotje bent en ook voor al die heerlijke dingen die u haar gisteren meegegeven hebt. Mijn man en ik zijn daar echt heel erg dankbaar voor” zegt Maria. “Zullen we er even bij gaan zitten en hebt u tijd voor een kopje koffie?” vraagt Christa. Ja daar heeft Maria wel tijd voor en terwijl Linda koffie gaat zetten nodigt Christa Maria uit om op de bank van Liselotte plaats te nemen. “Hier zit je dochter elke middag te genieten” zegt ze. Maria kan het zich voorstellen, dit is zo behaaglijk en gezellig.

Als Linda met de koffie terug komt nemen ze het er met z’n drieën even van, er zijn toch geen klanten. Christa vraagt voorzichtig naar de omstandigheden van Maria en haar man en zegt dat ze van Liselotte heeft begrepen dat ze het niet zo breed hebben thuis. “Niet dat ze heeft geklaagd hoor, ze was juist heel onbevangen en blij” zegt Christa. Maria vertelt hoe de zaken ervoor staan bij haar thuis. Dat ze een kleine uitkering hebben waar ze niet veel mee kunnen. Ze vertelt van de operatie die niet kan plaatsvinden omdat de verzekering die niet dekt en dat ze zich zorgen maakt over haar man. Christa vraagt of ze eens langs mag komen om kennis te maken met Herman en Maria zegt dat ze dat heel erg leuk zou vinden. Aangezien Liselotte kind aan huis is in de winkel tegenwoordig is het wel zo leuk om elkaar een beetje te leren kennen vindt Christa. Na de koffie gaat Maria weer huiswaarts maar niet voordat ze een groot stuk kerststol heeft meegekregen van Christa.

Als Liselotte ‘s middags komt vertelt Christa dat ze haar moeder heeft leren kennen en dat ze binnenkort eens gezellig op visite komt bij hen thuis. Liselotte juicht, dát vindt ze leuk!

—–

Enkele dagen later, de winkel is net dicht, trekken Christa en Linda hun jas aan om naar huis te gaan. Christa vertelt dat ze van plan is om even langs Maria te gaan en vraagt of Linda geen zin heeft om even mee te gaan? Linda heeft toch geen plannen dus stemt toe en samen gaan ze op pad. Het is maar een klein stukje lopen voor ze aan de deur van nummer 38 bellen. Maria doet open en nodigt hen binnen. Ze verontschuldigt zich dat het niet zo warm is maar Linda en Christa wuiven haar bezwaren weg door te beweren dat het best meevalt. In de woonkamer worden ze enthousiast begroet door Liselotte die meteen dicht naast Christa gaat zitten. Maria gaat een pot thee zetten en als ze net aan de thee zitten gaat de kamerdeur zachtjes open en komt Herman moeizaam de kamer inlopen. Maria gaat hem meteen tegemoet, helpt hem in een stoel en legt zorgzaam de plaid om hem heen. Christa en Linda stellen zichzelf voor en al snel zijn ze in gesprek met elkaar. Aan het einde van de avond heeft Christa een duidelijk beeld van de omstandigheden van dit gezin en haar hart is er vol van. Ze wil eens uitzoeken hoe ze deze mensen kan helpen. Linda heeft hele andere gedachten, ze vraagt zich af hoe het komt dat ze, ondanks hun armoede, toch zo tevreden kunnen zijn. Ze snapt er helemaal niets van, zij zou daar niet mee kunnen leven… en terwijl ze zich dat bedenkt vraagt ze zich af waarom dat haar nou ineens verdrietig maakt? Nou ja, voor dit moment schudt ze al deze gedachten van zich af en als ze wat later thuiskomt kruipt ze nog even in haar hoekje op de bank met een beker warme melk voordat ze naar bed gaat.

Eenmaal in bed kan ze de slaap niet te pakken krijgen, zonder dat ze het wil blijven haar gedachten toch doormalen en weer vraagt ze zich af waarom ze vanavond ineens zo verdrietig was. Al starend in het donker komen opnieuw de herinneringen aan vroeger naar boven. De boosheid omdat er, naar haar idee, nooit eens iets kon. Ze kon niet meedoen met de anderen vindt ze, zij had een goedkoop mobieltje terwijl anderen de meest moderne en nieuwe modellen hadden met allerlei handige snufjes. Dat het maar een enkeling was die van die dure dingen had daaraan gaat ze volledig voorbij, in haar herinnering was zij de enige die “niets” kreeg en had. Vliegvakanties waren er ook niet bij en als ze dan de verhalen van anderen hoorde over reisjes naar verre landen dan was haar hart vol van jaloezie en verweet ze het haar ouders des te meer dat zij hooguit een weekje gingen kamperen. Pffff, ze schaamde zich ervoor en zou het nooit aan een ander vertellen, armoedig gedoe!!…

Als ze hier is aangeland met haar gedachten komt daar weer het beeld van vanavond naar boven, de armoedige en koude woning van Maria en Herman, het kille slaapkamertje van Liselotje, en toch waren deze mensen zo blij en zo tevreden, hoe kán dat toch? Opnieuw komt er een herinnering naar boven die er vanavond ook al was, Liselotte vertelde dat papa altijd voor het slapen gaan uit de kinderBijbel voorleest en terwijl ze dat zei glansde haar gezichtje van blijdschap. Linda dacht op dat moment terug aan vroeger, hoe bij haar thuis haar vader altijd aan tafel voorlas, eerst uit de kinderBijbel en later, toen zij en haar zus wat ouder waren, uit de gewone Bijbel. Toen ze klein was had ze het nog wel mooi gevonden maar later had ze zich er alleen maar aan geïrriteerd, zo langdradig allemaal. Wild draait ze zich om in haar bed en probeert opnieuw in slaap te komen en uiteindelijk valt ze in een onrustige slaap waaruit ze de andere morgen nog steeds moe ontwaakt.

Christa begroet haar met een vriendelijk woord en een vers gezet kopje koffie. In alle rust genieten ze ervan, en daarna gaat het slot van de winkeldeur en zijn ze klaar voor een nieuwe werkdag. Na schooltijd is het al gewoonte geworden dat Liselotje gezellig op “haar” bank bij het vuur komt zitten en haar beker chocolademelk drinkt die één van de dames steevast voor haar klaarmaakt. Als het rustig is gaan ze even bij haar zitten en als het druk is in de winkel dan zit ze heel genoeglijk te kijken en te luisteren naar alles wat er om haar heen gebeurt.  

Op een rustig moment komt Linda even bij haar zitten en Liselotte vraagt haar of het bij haar thuis ook zo gezellig is als hier in de winkel? “Heeft jouw mama het ook zo mooi versiert?” vraagt ze. Linda kijkt het kind aan en zegt dat ze niet meer bij haar vader en moeder thuis woont maar dat ze een eigen huisje heeft. “Oh, dat is leuk” zegt Liselotte, “maar je gaat dan toch wel met hun het kerstfeest vieren?” vraagt ze. Linda zegt dat ze dat niet van plan is waarop het kind verder vraagt en in haar onschuld wil weten waaróm ze dan niet het kerstfeest met haar ouders viert. Linda denkt snel na, wat kan ze zeggen? Ze is niet van plan om Liselotte precies uit te leggen hoe de zaken ervoor staan en ze maakt zich er gemakkelijk van af door te zeggen dat dat niet goed uitkomt en dat ze gewoon zelf haar eigen kerstfeest viert. “Oh, vier je het dan met Christa?” vraagt Liselotte. “Nee, Christa gaat altijd naar haar dochter en schoonzoon en haar twee kleinkinderen” legt Linda uit. “Maar ben je dan helemaal alleen?” vraagt Liselotje met schrik in haar ogen. “Ja, maar dat vind ik helemaal niet erg hoor, ik ben daar aan gewend en ik vermaak me wel” zegt Linda met een geruststellende glimlach en staat op van de bank om een klant te helpen die net binnenkomt.

Liselotte zit diep in gedachten, bij haar thuis is het kerstfeest altijd heel fijn. Ze hebben dan misschien geen dure maaltijd en ook geen cadeaus maar mama maakt het altijd heel gezellig en ze mag dan lekker lang opblijven, heerlijk, ze geniet er al van bij de gedachte alleen.

—–

Als Christa de winkel sluit en zij en Linda naar huis gaan zegt ze dat ze heel graag iets wil doen voor Maria en Herman en de kleine Liselotte. “Wat denk je ervan als ik probeer om via mijn contacten wat meubeltjes voor hen bij elkaar te krijgen? Ze kunnen bijvoorbeeld heel goed een eethoek gebruiken” Linda knikt, dat is een heel goed idee, daar zouden ze denk ik wel heel blij mee zijn maar het is misschien wel verstandig om het eerst even met hen te bespreken. Ja, dat had Christa zelf inderdaad ook al bedacht, ze wilde hen absoluut niet voor het hoofd stoten. En terwijl Linda naar haar appartement gaat loopt Christa nog even naar het huisje van Maria en Herman. Maria is blij verrast als ze Christa voor de deur ziet staan en nodigt haar spontaan binnen. Als ze een lekker kopje thee hebben begint Christa voorzichtig te vertellen dat zij, mede door haar winkeltje, heel wat connecties heeft en dat ze weet dat er soms bedrijven zijn die met meubels blijven zitten omdat ze niet verkocht worden. Dan gebeurt het wel dat deze “overblijvers” voor een prikje worden weggedaan en dat zij, Christa, weleens rond kon kijken of er iets bijzit dat Maria en Herman kunnen gebruiken? Maria knikt blij, als dát eens mogelijk was, dat zou heel erg fijn zijn. Christa glimlacht en zegt dat ze er meteen achteraan gaat en dat ze daar zelf ook heel veel plezier in heeft. Als Christa weer naar huis is gaat Maria bij Herman zitten en vertelt hem wat zij besproken hebben. Herman is ook blij verrast en samen danken ze even later de Here God voor deze zegen. Wat heerlijk!

Het is nauwelijks een week later als Christa al van alles bij elkaar verzameld heeft. Een eettafel met vier mooie stoelen, een leuk dressoir, een heerlijk warm kleed waarvan ze zeker weet dat Liselotje er verrukt van zal zijn en verder heeft ze ook een heerlijke stoel voor Herman op de kop kunnen tikken. Al met al heeft ze de meeste spullen voor een prikkie meegekregen en moest ze alleen voor de stoel wat meer betalen, maar, zo vindt ze, dat hoeft niemand te weten. Blij gaat ze Maria vertellen dat ze de spullen de andere dag al kan verwachten en dat het écht een geschenk is en ze er niets voor wil hebben. Ze verzekert Maria ervan dat ze er zelf maar heel weinig voor betaald heeft en dat het echt niets voorstelt. Maria heeft er geen woorden voor, wat geweldig en wat is ze benieuwd, ze kijkt uit naar morgen, als de spullen gebracht zullen worden.

De andere dag rijdt er een grote bezorgauto voor en twee mannen laden de mooie meubels uit. Oh wat een feest is het, zo’n mooie stoel, en dan dat kleed, en die eethoek met die prachtige stoelen, het dressoir, Maria is helemaal sprakeloos en kan alleen maar steeds weer “dankjewel” stamelen. de mannen zetten de spulletjes nog netjes neer op de plaats waar Maria ze wil hebben en na een warme handdruk gaan ze voldaan weer weg, Ze hebben gezien hoe blij en dankbaar deze vrouw was en dat was voor hun beloning genoeg. Als Maria even later Herman naar beneden helpt en hem in zijn nieuwe stoel zet is ook hij totaal onder de indruk van al dat moois. “Wat een rijkdom Marietje” zegt hij met tranen in zijn ogen, en samen zitten ze zomaar heel stil te kijken en te genieten. Ook Liselotte weet niet wat ze ziet als ze thuiskomt en met een juichkreet laat ze zich heerlijk op het nieuwe warme kleed vallen, “oh mama, dit is zó lekker, dit moet je ook even proberen hoor” en met een glimlach laat ook Maria zich op het kleed glijden en zo zitten moeder en dochter daar samen, de armen om elkaar heen, te stralen van blijdschap.

Christa en Linda zijn meteen uitgenodigd door Maria en Herman om te komen kijken naar de mooie nieuwe meubeltjes en uiteraard geven ze daar graag gehoor aan. Een stralende Maria doet de deur open als ze aanbellen en ze juicht bijna als ze hen voorgaat naar de woonkamer. Linda en Christa zijn ontroerd door de zichtbare blijdschap van Maria en later ook van Herman als hij even beneden komt. De dankbaarheid van deze mensen raakt hen diep en bij Christa brengt het een glimlach op het gezicht maar bij Linda zorgt het opnieuw voor een stukje verdriet waar ze geen weg mee weet.

—–

Het is de laatste week voor het kerstfeest en zoals gewoonlijk is het voor Christa en Linda een drukke week. Veel mensen willen nog iets leuks kopen en het is een komen en gaan van klanten en tussen alle bedrijvigheid door is daar elke dag opnieuw het kleine Liselotje dat zomaar een poosje op de bank bij de haard komt zitten. Ze brengt altijd een stukje vrolijkheid en gezelligheid mee waar Christa en Linda van genieten. Liselotte vertelt enthousiast over het kerstfeest dat ze deze week op school zullen vieren. Jammer genoeg kan papa niet mee maar mama gaat wel mee en ze verheugt zich er enorm op. Linda en Christa kijken vertederd naar haar blije gezichtje. Even later staat ze op van de bank en gaat naar huis waar het nu een stuk gezelliger is geworden met de nieuwe meubels. Zo eten ze tegenwoordig gezellig aan de eettafel en soms kan papa ook daarbij zijn, dan is het helemaal een feest. Hij is nu wel vaker in de huiskamer te vinden omdat hij in de nieuwe stoel heel fijn kan zitten en het veel langer kan uithouden dan in de oude, versleten en doorgezakte stoel. Soms doen mama en Liselotte ook een spelletje aan de tafel en dan zit papa in zijn stoel te luisteren naar wat muziek, dat vindt Liselotte ook van die gezellige momenten waarin ze zich koestert. Mama zorgt er voor dat het in de kamer nu ook steeds warm is zodat papa daar fijn kan zitten in zijn nieuwe stoel en voor haarzelf en Liselotte is dat natuurlijk ook heel fijn. Maria had het er met Herman over gehad, ze hadden het samen besproken, de kou in huis, het eten dat er soms niet was en zo hadden ze besloten om de voedselbank te benaderen zodat ze daarin wat verlichting kregen en dan door het uitsparen van de boodschappen dus de kachel wat meer konden laten branden. Zo gaat Maria sinds kort naar de voedselbank om eten te halen en het is steeds weer een verrassing wat ze zullen krijgen maar één ding is zeker, ze zijn er superblij mee! Er is ook nog iets anders waar ze heel, heel erg dankbaar voor zijn, Christa had ze attent gemaakt op de mogelijkheid om bij de gemeente hulp te vragen over de kwestie van de operatie voor Herman en de verzekering die dat niet dekte. Maria had een gesprek gehad met een ambtenaar die haar daar verder mee kan helpen. Samen gaan ze naar de mogelijkheden kijken en hij had haar in ieder geval al verzekerd dat er beslist een oplossing gevonden zou worden zodat Herman zijn operatie zou kunnen krijgen. Ja, het leven van Maria en Herman heeft in korte tijd een enorme omslag gemaakt ten goede en dat allemaal door hun kleine meisje dat voor de etalage van een winkel had staan kijken. Maria en Herman beseffen heel goed dat het geen toeval is maar dat het een verhoring is op de gebeden die zij al zo’n tijd hadden opgezonden naar de Here God, gebeden om Zijn hulp maar ook gebeden van dankbaarheid voor alle goede dingen die Hij hun had geschonken.

—–

Het is 24 december en de drukste dag van de maand voor Christa en Linda. Straks, als ze de deur sluiten zal Christa naar haar dochter en haar gezin gaan, dat is al jaren een traditie, sinds de man van Christa overleed is ze steevast bij haar dochter en schoonzoon te gast. Zij willen niet dat Christa in haar eentje zal zitten en daarom nodigen zij haar elk jaar opnieuw van harte uit om tijdens de kerstdagen tot aan nieuwjaar bij hen te logeren en Christa kijkt er altijd weer naar uit. Linda interesseert het eigenlijk niet zoveel, zij maakt er wel een paar luie dagen van, lekker niets doen, misschien uit eten met een vriendin of anders zelf iets klaarmaken en wat voor de tv hangen.

Liselotte heeft vanmiddag al vrij en vroeg in de middag komt ze langs om uitbundig te vertellen van het kerstfeest van school wat ze gisteravond hadden gevierd in de kerk. “Mama was ook mee en ze vond dat we zo mooi hebben gezongen” vertelt ze blij. “Het was zo mooi in de kerk, allemaal kaarsen en iedereen was in zijn mooiste kleren en mama had mijn haar echt heel mooi gemaakt” zegt ze. Christa en Linda luisteren glimlachend en Christa zegt “goed dat je nog even gekomen bent Lotje, ik heb nog iets voor jou en je papa en mama” en ze gaat naar het keukentje waar ze een grote tas ophaalt. “Kan je die wel dragen? hij is zwaar hoor” zegt ze. Liselotte tilt de tas op en zegt dat ze het makkelijk kan dragen. Blij groet ze de dames en gaat snel met de tas naar huis.

Als Christa op het punt staat om de winkeldeur voor een goede week af te sluiten komt Liselotte aangerend. Hijgend komt ze binnen en vraagt aan Christa of Linda er nog is? “Ja hoor, ze is net in het keukentje” en snel loopt Liselotte naar het keukentje. “Linda, hoor eens, ik ben speciaal gekomen om je op te halen”. Linda kijkt verbaasd, “me op te halen?” vraagt ze. “Ja, weet je, jij hebt gezegd dat je helemaal alleen bent met kerst en dat was ik niet vergeten en ik had er met papa en mama over gepraat en nou zouden we het allemaal heel fijn vinden als jij vanavond met ons het kerstfeest wilt vieren? Je doet het toch wel?” vraagt Liselotte smekend en als Linda in het lieve kindersnoetje kijkt kan ze niet anders dan toestemmen en zo lopen die twee, na een hartelijke groet naar Christa, samen naar het huis van Liselotte.

—–

Als ze binnenkomen valt het Linda op dat het zo lekker warm is in de woonkamer, hè gezellig want buiten is het guur en waait het behoorlijk. Linda snuift eens en er komt een heerlijke etensgeur uit de keuken en de tafel is ook al feestelijk gedekt. Hier en daar branden kaarsen en Herman heeft wat mooie muziek aangezet. “Tjonge, wat is het hier warm en wat ruikt het lekker” zegt Linda terwijl Maria met verse koffie de kamer binnenkomt. Het eten heeft nog even tijd nodig dus gaat Maria er ook gezellig even bij zitten en ze vertelt van alle veranderingen van de afgelopen tijd, van de voedselbank en ook van de operatie die nu toch binnenkort waarschijnlijk door kan gaan en Linda ziet hoe ontzettend dankbaar Maria voor alles is. Als ze wat later aan tafel gaan en de schalen dampend op de tafel staan is het Herman die de Here God dankt voor alle goede gaven en voor het feit dat Linda hun gast wil zijn deze avond. Linda krijgt er een kleur van.

Het feestmaal is eenvoudig maar heerlijk toebereid en ze doen het alle eer aan. Linda ervaart het als een weldaad om hier in deze vredige omgeving met elkaar te genieten van dit samenzijn en deze, met veel liefde bereide, maaltijd. Na het eten pakken zij en Maria de boel bij elkaar, brengen de vaat naar de keuken en wassen snel even samen af. Maria zet verse koffie en met een blad vol met het lekkers dat ze van Christa heeft gehad, gaan ze de kamer weer binnen waar Liselotte gezellig bij haar papa op schoot zit. Voor haar is er lekkere chocolademelk, ook uit de tas van Christa. Als ze bij elkaar zitten en hun kopje leeg hebben gedronken neemt Herman het woord.

“Kerstfeest is niet zomaar alleen een feest van lekker eten en gezelligheid, het is het feest van de geboorte van de Here Jezus. Daar waar mensen elkaar vaak cadeaus geven met kerst heeft de Here God ons ooit het allergrootste geschenk gegeven wat iemand ooit zou kúnnen geven, namelijk Zijn Zoon, Zijn geliefde Zoon. Herman pakt zijn Bijbel en leest:

God heeft ons laten zien hoe groot Zijn liefde voor ons is, door Zijn enige Zoon de wereld in te sturen. Door Hem wilde God ons nieuw leven geven. De liefde waarover het hier gaat, is niet onze liefde voor God, maar Zijn liefde voor ons. Daarom stuurde Hij Zijn Zoon, die de straf voor onze zonden op Zich heeft genomen om de verhouding tussen God en ons weer goed te maken. Omdat God ons zo heeft liefgehad, moeten wij elkaar ook liefhebben. 1 Johannes 4:9-11

Het is stil als hij deze woorden heeft gelezen, ieder is met zijn eigen gedachten bezig en dan is daar het stemmetje van Liselotte dat de stilte doorbreekt. “Papa, weet je, we hoeven ook helemaal geen cadeaus hè? We hebben al zoveel gekregen, nieuwe spullen, lekker eten en ook Christa en Linda”. Met blije glanzende ogen kijkt ze de kleine kring rond, een mooi meisje met een dankbaar hart en de groten hebben tranen in de ogen van ontroering. Ze praten nog even verder maar dan staat Herman op en gaat naar boven, zijn rug houdt het niet langer uit maar Maria is blij dát hij er zo lang bij kon blijven vanavond. Niet veel later brengt Maria ook Liselotte naar bed en dan zijn ze nog samen in de kamer. Linda en Maria praten samen nog een poosje en dan gaat Linda naar huis. Ze bedankt Maria van ganser harte voor de heerlijke avond die ze met haar en haar gezin mocht doorbrengen en gaat naar haar huisje.

—–

Thuis valt onverwacht de eenzaamheid op haar en haar huis lijkt kaal en kil na de warmte en de gezelligheid die ze deze avond mocht ervaren. Ze kijkt haar kamer rond en voor het eerst beseft ze dat al haar dure spullen geen voldoening geven, dat haar leven eigenlijk maar leeg en koud is. Terwijl ze daar op haar dure bank zit gaan haar gedachten terug in de tijd, toen ze thuis het kerstfeest vierden en waar ze laatst deze gedachten meteen van zich af probeerde te werpen laat ze ze nu toe. Ze ziet dingen die ze nooit eerder gezien heeft, mama die zo haar best had gedaan om te sparen zodat ze met kerst allemaal een mooi cadeautje konden krijgen. Voor haar, Linda, was het nooit mooi en goed genoeg geweest en steevast mopperde ze erover. Haar zus was wél blij geweest met wat ze kreeg en dat maakte Linda nog bozer. Voor het eerst kan ze zich nu ook de teleurstelling van haar ouders voorstellen als ze weer zo lelijk reageerde. Ze denkt aan de mooi gedekte tafel, aan de lekkere hapjes waar mama zo haar best op had gedaan, aan de cake en de koekjes die mama zelf bakte… zoveel komt er in haar gedachten voorbij op dit moment. Ze denkt ook aan de kerstmorgens als ze met het hele gezin naar de kerk gingen, ook daar is ze al in geen jaren geweest. Ze denkt eraan dat zij alleen maar boos was geweest als ze geen nieuwe fiets kreeg die andere kinderen wél hadden, zij had alleen maar dat tweedehandse ding gezien maar nu zag ze papa die met veel liefde de fiets had opgepoetst voor haar om hem zo mooi mogelijk te maken. Ze dacht terug aan de dag dat ze haar ouders had verteld dat ze het huis uitging en daar waar ze al die jaren alleen maar wrok had gekoesterd en de triomf had gevoeld van het uit huis gaan, zag ze nu ineens de tranen die haar moeder in de ogen had gehad bij haar mededeling. Ze herinnerde zich hoe papa haar bij het weggaan wat geld in de hand had gestopt en hoe mama een hele mand met etenswaren aan haar meegegeven had. Ze had het met een verachtelijk gebaar ingeladen in de auto van de kennis die haar naar haar nieuwe onderkomen zou brengen en zonder achterom te kijken was ze weggereden. Nooit had ze haar ouders uitgenodigd te komen kijken in haar nieuwe huisje en ook nooit was ze meer terug in het ouderlijk huis geweest. Ze herinnerde zich de verjaardagskaarten elk jaar opnieuw die ze openscheurde, het geld eruit haalde dat haar ouders bleven sturen, en ze vervolgens weggooide zonder ze gelezen te hebben en voor het eerst schaamt ze zich. Voor het eerst ook beseft ze hoeveel pijn ze haar ouders gedaan moet hebben en zonder dat ze er erg in heeft druppen de tranen langs haar wangen. Vanavond had Herman uit de Bijbel gelezen over het grote geschenk van de Here God en over de liefde waarmee de Here God Zijn Zoon naar de aarde had laten gaan en ze beseft dat zij die grote liefde niet verdiend had maar toch gekregen, dat de Here Jezus was gekomen om haar zonden te dragen… oh hoe verkeerd was ze bezig geweest om haar ouders zo te veroordelen en te “straffen” voor dingen die zij als grove fouten en tekortkomingen zag maar die in feite alleen maar uit liefde geboren waren.

Nog heel lang zit Linda daar in haar hoekje op de bank en de storm die zo lang in haar hart heeft gewoed gaat uiteindelijk liggen als ze haar handen vouwt en vergeving vraagt aan de Here God. Niet alleen voor wat zij haar ouders heeft aangedaan maar ook voor het feit dat ze Hem al zolang op een zijspoor heeft gezet. Diep dringt het tot haar door wat een enorm offer de Here God heeft gebracht en dan komt er dankbaarheid in haar hart en is er ineens zoveel om dankbaar voor te zijn. Als ze uiteindelijk naar bed gaat is de nacht al ver gevorderd maar haar hart is tot rust gekomen en meteen valt ze in slaap.

—–

De volgende morgen is ze al vroeg wakker. Ze heeft haar wekker gezet want ze wilde persé op tijd opstaan vandaag. Als ze gedoucht en aangekleed is neemt ze snel een boterham en een kopje koffie en gaat de deur uit. Als ze op haar fiets zit hoort ze de kerkklokken uitnodigend luiden en zonder aarzelen kiest ze de weg naar de kerk waar ze zoveel jaren vaste bezoeker is geweest. Hoe dichter ze bij de kerk komt, des te langzamer gaat ze rijden. Ze wil niet te vroeg zijn maar juist op het laatste nippertje ongezien naar binnen glippen en op de achterste bank plaatsnemen. Zo gezegd zo gedaan, stil zit ze daar op die achterste bank en luistert naar de liederen die gezongen worden zonder dat ze er zelf aan mee doet. Stil luistert ze naar de preek en ze drinkt de woorden van de dominee in, hoe had ze dit gemist, ze beseft het nu pas en in haar hart is een stille blijdschap omdat ze weer in “haar eigen kerk” mag zitten. Een heel eind naar voren ziet ze haar ouders en haar zus zitten, ze hebben haar niet in de gaten, hoe zouden ze ook. Als de dienst voorbij is blijft ze nog even zitten en wacht tot haar ouders opstaan en door het middenpad naar achteren lopen. Als ze bijna bij haar zijn staat ze op en ze ziet de blik op de gezichten van haar ouders, verbazing, ontroering, blijdschap, het wisselt elkaar in enkele seconden af en dan valt ze haar ouders in de armen en snikt het uit. “Vergeef me alsjeblieft voor het verdriet dat ik jullie aangedaan heb”, tranen vloeien over en weer, ook haar zus valt ze huilend om de hals en om niet teveel aandacht te trekken lopen ze snel met elkaar naar huis waar Linda alles vertelt en heel haar hart blootlegt voor haar ouders en zus. Ze luisteren stil en als ze is uitgepraat nemen ze haar opnieuw in hun armen en zeggen dat ze alleen maar heel erg blij zijn dat Linda de weg naar huis terug heeft gevonden en dat dit voor hen het mooiste kerstfeest is dat ze in jaren hebben beleefd omdat ze haar zó erg hebben gemist.

Het wordt voor Linda en haar familie een prachtig feest, Linda blijft beide kerstdagen logeren en ze praten heel wat af met elkaar, maar ook is daar de gezelligheid, de feestelijke tafel met het door mama met zoveel zorg bereide eten, de kaarsen, de liefde en boven alles de vrede en de dankbaarheid in het hart van Linda. Die woorden die Herman had gelezen over die grote liefde van de Here God en dat stemmetje van Liselotte die had gezegd dat ze geen ander cadeau meer verlangde omdat dit cadeau het mooiste was dat ze zich kon wensen en Linda is het daar nu helemaal mee eens, wat is ze blij en wat voelt ze zich rijk dat ze weer bij haar familie mag zijn en zelfs zonder dat ze haar ook maar één verwijt hebben gemaakt. En net zoals Maria en Herman is ook zij dankbaar voor een klein meisje dat voor hun etalageruit had gestaan en die de aanzet had gegeven tot al deze mooie dingen, maar dingen, zo beseft ze, die ook een verhoring zijn op de gebeden die haar ouders elke dag voor haar hadden opgezonden en vanuit het diepst van haar hart zegt ze: “Dank U wel Here God dat U van mij houdt en dat dit kerstfeest het mooiste van mijn leven is omdat ik voor het eerst heb begrepen wat het inhoudt, dat ik voor het eerst dankbaar kan zijn voor Uw geschenk en voor al het goede in mijn leven en dat ik Uw vrede in mijn hart mag ervaren. Dank U wel!!”

Aan de andere kant van het stadje ligt een klein meisje in haar bed en slaapt vredig, onbewust van de impact die ze mocht hebben op de verschillende levens van de mensen die haar dierbaar zijn, een klein zonnestraaltje voor allemaal. Slaap maar lekker Liselotje.

christmas-tree

 

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

2 Nieuwe leventjes.

Liam en Jax

Daar zijn ze dan, mijn 2 nieuwe kleinzoons, afgelopen vrijdag geboren. De oudste heet Liam Mattheo en de jongste heet Jax Davy, ofwel Liam en Jax. Respectievelijk 2880 en 2580 gram zwaar, dus een keurig gewicht voor een tweeling van 37 weken. Wat een mooie wondertjes. We zijn allemaal een beetje verliefd op deze prachtige mannetjes en ik wilde ze jullie niet onthouden maar jullie er een beetje van laten meegenieten :-)

 

 

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

Er komt een dag..

 

15676-voorjaarbloeiende-bollen-planten[1]Terwijl het nog behoorlijk koud was maandag scheen er toch een lekker zonnetje en liep ik met Simon een rondje. Ik zag overal in de tuinen de krokusjes en de narcissen naar boven komen. Ik stelde me voor hoe die bolletjes in de tuin zich voelen, ze zitten onder de grond in het donker, en in de kou van de winter blijven ze daar rustig in dat donker zitten. Als in de lente dan de zon meer en meer doorbreekt wordt dat in de koude bodem gevoeld en gaan de bolletjes uitlopen. Die uitlopers zoeken hun weg naar boven en als er eenmaal een stukje boven de grond steekt volgt er al snel meer en vormen zich knopjes. Door de koesterende zonnewarmte openen die knopjes zich en dan is het een feest van kleuren en geuren en staan die mooie bloemetjes te stralen in de tuin die nog nauwelijks de kale winterjas heeft uitgedaan om zich te tooien met het groene lentekleed.

Er zijn tijden dat wij ons, door allerlei redenen, zo kunnen voelen als die bolletjes onder de grond, koud, donker, alleen… maar dan is daar Vader God die Zijn warmte over ons leven wil uitstorten en in eerste instantie ben je je er misschien niet eens van bewust dat je hoofd zich langzaam opricht en je gezicht zich opheft om de warme zonnestralen op te vangen, maar er komt een dag dat je het ineens zult merken, dat is de dag dat je niet langer stil zult blijven staan maar aan Vaders hand nieuwe stappen zult gaan maken, dat je nieuwe wegen inslaat en dat je mag weten en voelen hoe groot Zijn liefde is over jouw leven!

 

Op een dag zal de zon weer gaan schijnen,

heeft het gras weer een geur,

de bloemen een kleur

en de vogels die zingen hun lied.

Daar waar eerst alles grauw leek en triest,

waar het donker zich sloot

als een deken zwart en groot

breekt er een glimlach dwars door je verdriet.

 

Op een dag zal de hemel weer stralen,

vult Gods warmte weer jouw hart,

een nieuwe morgen, een nieuwe start,

dan zien jouw ogen weer een doel.

Daar waar je eerst geen uitzicht had

gaan er deuren voor je open,

is er een weg om op te lopen

en komt er in je leven weer gevoel.

 

Er komt een dag dat je terug gaat blikken,

Je kijkt de weg af naar beneden,

Ziet dingen die jou door de ziel heen sneden

En je dankt de Vader voor dit beeld.

Want juist hierdoor zie je bewust,

dat zonder dat jij iets kon merken

Vader God toch door bleef werken,

en zacht jouw wonden heeft geheeld.

 

 Op een dag is daar Vaders warme hand

die neemt de jouwe in de Zijne,

Hij de grote, jij de kleine,

zo veilig voelt dat, en vertrouwd.

Op een dag ben je weer klaar om te gaan leven,

begint je hart heel zacht te zingen

om al die kleine mooie dingen,

en omdat Vader van je houdt!

380367_320240518045877_1218438750_n[1]

 

 

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

Pas op!!

rondvaartbootAfgelopen week was ik met een paar andere mensen in Middelburg en toen heb ik ze attent gemaakt op de rondvaartboten. In de zomer is dat heerlijk. Ik heb zelf ooit 1 x zo’n rondvaart gemaakt en het is echt een aanrader. De boten waarmee door de grachten gevaren word zijn open, platte boten. De schipper vertelt onderweg allerlei wetenswaardigheden en al met al zijn we toch wel zo’n 40 minuten op het water geweest. Ik vond het heel mooi en interessant om dingen te horen die ik helemaal niet wist en om de dingen zo op een heel andere manier te bekijken.

Het is trouwens zo dat je onder een aantal bruggen door moet waarvan sommige zó laag zijn dat je echt moet bukken om er goed onderdoor te komen. De gids waarschuwt dan ook herhaaldelijk wanneer je zo’n brug nadert, om toch vooral goed het hoofd te buigen en ook niet te vroeg overeind te komen en alsnog het hoofd te stoten. Er waren bruggen van hout, van steen. van beton, maar er was er ook eentje die van onder een paar metalen stangen had waar we onderdoor moesten varen. Ook die brug was zo laag dat we moesten bukken. De gids vertelde dat hij vorig jaar een meisje in zijn boot had gehad die helemaal achterin zat en die, terwijl ze onder die brug doorvoeren, zo’n stang had gepakt. Daardoor werd ze uit de boot getrokken en hing daar boven het water. Dit hield ze niet lang vol, dus liet ze los en viel in het water. De moeder, geschrokken, sprong er in paniek achteraan om haar te redden. Echter, het water was zo ondiep dat ze allebei slechts tot hun middel nat waren… wel was de moeder furieus op haar dochter geworden:-))) Ik vond het wel een grappig verhaal.

Hoe komt het toch dat, wanneer we ergens voor gewaarschuwd worden, we toch zo sterk geneigd zijn om éventjes de dingen uit te proberen? Denk maar eens aan een bordje “NAT” wanneer iets net geverfd is, wie zal níét even heel voorzichtig voelen óf het nog nat is? Kinderen die gewaarschuwd worden om niet te roken omdat het zo slecht is voor je gezondheid, en tóch zijn er velen die het uitproberen, alcohol evenzo, blowen en nog meer van deze dingen. En hoeveel blijven eraan hangen? Hoeveel worden verslaafd?

Paulus zegt in Rom.12:21 : Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. Misschien is dit toch ook wel weer iets om eens verder over na te denken, om te zien in ons eigen leven in hoeverre wij ons vaak nog laten overwinnen door het kwade en op welke wijze wij dan zélf dit kunnen overwinnen door het goede. Paulus zegt: “als ik het goede wil, is het kwade mij nabij”. Ikzelf zou het dan omdraaien, wij hebben Gods Heilige Geest ontvangen, Hij is onze “Gids” en waarschuwt ons, Hij overtuigt van zonde en Hij wil ons laten zien waar wij verkeerd gaan. Dus mag ónze leus zijn: telkens als ik van plán ben om het verkeerde te doen, is het goede (Gods Geest) mij nabij om mij erop te wijzen. En op dát moment ben ik in de gelegenheid om mijn keuze te maken!

natWeet je, toen wij in die rondvaartboot stapten, stapten we bij de gids aan boord. Het was niet ons eigen bootje waar de gids bij óns instapte. Zo is het ook in ons eigen leven, wij kiezen ervoor om ons leven aan de Here over te geven, op dat moment stappen we, als het ware, bij Hém in en is het de Heilige Geest die onze Gids wordt en ons leidt door dit leven. Hij kan ons allerlei nieuwe dingen vertellen die we nog niet wisten, maar tegelijkertijd leert Hij ons ook om ons hoofd te buigen, ons te vernederen voor de Here God, waardoor we zélf bewaard worden ons hoofd te stoten en ons te bezeren. Het kost soms alleen weleens wat tijd voordat we dát nou helemaal door hebben hè?

 

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

When I cry…

Gisteren was het de verjaardag van mijn overleden schoonzoon, een dag die toch altijd bijzonder blijft, een herinneringsdag. En toen ik ’s morgens Simon aan het uitlaten was bedacht ik me dat ik dankbaar ben dat ik hem heb mogen kennen. Een bijzonder mens, een prachtige schoonzoon waar ik warme en liefdevolle herinneringen aan heb. En toen ik dan wat later achter mijn computer zat kwam ik dit blogje tegen uit 2014 en dat raakte me opnieuw, kostbaar en mooi om terug te lezen en vandaag te delen, juist ook voor die mensen die ook een verlies geleden hebben of die door een verdrietige tijd gaan.

———————-

Boaz

Boaz

De afgelopen 8 dagen waren 2 van mijn kleinkinderen hier. Boaz, mijn kleinzoon van net 7 jaar en Noa zijn zusje van 5. Boaz had laatst aangegeven dat hij wel weer eens graag een poosje bij mij wilde zijn en Noa wilde dat ook wel, waarop mijn dochter inhaakte en een kans zag om dan even op vakantie te gaan.

Voor diegenen die nog maar kort mijn blogjes lezen, deze kinderen hebben twee en een half jaar geleden hun papa verloren aan een slopende ziekte. zij en hun mama hebben de afgelopen jaren heel veel meegemaakt en ik ben daar ook nauw bij betrokken geweest. Er is nog heel veel verdriet in dit gezinnetje en bij ons allemaal om wat er gebeurd is. Maar er is ook een liefdevolle en trouwe Vader God die ons er doorheen helpt.

Zo waren deze twee heerlijke kleine mensjes dus hier de afgelopen week en we hebben heel veel plezier gehad met elkaar, leuke dingen gedaan, veel gelachen en zo samen een goede en waardevolle tijd gehad.

Noa

Noa

Als ik gistermorgen even mijn blogje op Facebook wil zetten staan de kinderen bij me, Noa ziet een linkje staan, aan het plaatje ziet ze dat het een lied over de Here Jezus is en dat wil ze wel graag horen. Ik klik het voor haar aan en even later is Bo verdwenen, achter mijn stoel zit hij zachtjes te huilen. Ik neem hem bij me en vraag wat er is, hij moet zo aan papa denken. Ik vraag of ik het lied liever uit moet zetten, nee oma, juist niet. Mag ik Simon halen en wil je het dan nog een keer aanzetten? Boaz haalt Simon en Noa haalt haar knuffeleendje. Één kind onder mijn bureau, één kind met zijn hoofd op Simon (die wonderwel lijkt te begrijpen dat Bo verdriet heeft) en één oma, alle drie in tranen. Als het lied is afgelopen neem ik ze op schoot en vraag of ze het fijn vinden om samen te bidden, ja dat willen ze wel graag. We bidden en geven elkaar een dikke group hug. We zoeken foto’s van papa en getroost gaan de kinderen iets moois voor mama maken die terugkomt van vakantie. Bijzondere momenten, zo kostbaar…

Simon

Simon

Ik realiseer me hoe belangrijk, maar ook  hoe een voorrecht het is om voor je kinderen en kleinkinderen te mogen bidden. Om ze dagelijks voor de troon van God te mogen brengen, ze onder Zijn bescherming te brengen en ook in dit soort situaties om Zijn troost te mogen vragen met elkaar. Wat heerlijk dat we zo’n liefdevolle Vader hebben!

Toch bleef bij mij het trieste gevoel van ’s morgens hangen, de herinneringen aan mijn schoonzoon, het verdriet van mijn dochter en de kinderen en ook van mijzelf, dat kun je dan niet zomaar even weg zetten, en toen ik naar bed wilde gaan en de computer wilde afsluiten viel mijn oog op een klein notitiebriefje dat naast mijn computer ligt. Ik had iets opgeschreven dat ik blijkbaar niet wilde vergeten. Het was de titel van een lied en ik zocht het nog even op op YouTube. Ik werd er zo door geraakt, zo bijzonder dat mijn oog  juist nu op dit briefje viel terwijl het er al misschien twee weken  ligt.

Dit lied heeft me zo gezegend en ik wil het ook graag hier doorgeven ter bemoediging. Misschien is er in jouw leven ook verdriet, zijn er moeilijke dingen gaande. Dan mag je weten dat je niet alleen staat in je verdriet maar dat er iemand naast je staat. Het lied zegt:

When I cry:

Ik maak een lijst van alle goede dingen die die U voor mij deed,

Heer, ik ben niet iemand die snel klaagt

maar op dit moment ben ik de weg even kwijt

Mijn wereld ligt in duigen en het breekt mijn hart,

maar het helpt dat ik mag weten dat Uw hart ook breekt.

 

Refr:

Als ik huil, huilt U mee

als ik pijn heb heeft U dat ook

als ik iemand heb verloren

lijdt U ook een stuk verlies met mij mee.

Als ik mij op mijn aangezicht laat vallen

vervult U mij met Uw genade,

Want niets breekt meer Uw hart,

of verscheurt U zo van binnen,

dan wanneer ik huil.

 

Ik ben alleen in het donker, verberg mijn gezicht in mijn handen en roep het uit naar U:

Heer, er was nooit eerder een tijd in mijn leven

dat er zoveel op het spel stond, zoveel te verliezen was,

maar ik vertrouw op U, U brengt mij hier doorheen

en het helpt mij te weten dat ik niet alleen ben.

 

Refr:

Als ik huil….enz.

 

U bent degene die de ruige zee kalmeerde,

U bent degene die de blinden ziende maakte,

U liet Uw blik over de hemel en de eeuwigheid gaan

en dwars door dat alles heen zag U mij…

 

Refr:

Als ik huil, huilt U mee

als ik pijn heb heeft U dat ook

als ik iemand heb verloren

lijdt U ook een stuk verlies met mij mee.

Als ik mij op mijn aangezicht laat vallen

vervult U mij met Uw genade,

Want niets breekt meer Uw hart,

of verscheurt U zo van binnen,

dan wanneer ik huil.

http://youtu.be/m153dXFIHV4

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

Klaagzangen en gemopper.

s-l300En spreekt onder elkander in klaagzangen en gemopper, laat ondankbaarheid uw leven bepalen zodat negativiteit de boventoon voert..

In welk hoofdstuk van de bijbel staat dit? Nou ehhh nergens. Maar het is tegenwoordig wel iets wat me meer en meer opvalt. Er is zoveel negativiteit om ons heen en je wordt er ook zo snel door beïnvloed…

Maarre.. hoe zit dat dan met mijzelf? Spreek ik altijd positieve dingen uit? Het Bijbelgedeelte waar ik vandaag heen wil omdat ik er zo bij bepaald werd is het volgende:

..en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte, dankt te allen tijde in de naam van onze Here Jezus Christus God, de Vader, voor alles. Efeziërs 5:19-20.

Weinig aan toe te voegen toch? Behalve dan dat ik er gewoon nog eens extra echt bewust op wil letten bij mijzelf, hoe spreek ik, wat spreek ik en wat voert in mijn leven de boventoon. Misschien een uitdaging? :-)

Het plaatje hieronder zegt: “Vandaag ben ik dankbaar voor… en verder mogen we het zelf invullen ” Een prachtige vraag aan het begin van deze dag, maar ook voor vanavond aan het einde van deze dag.

maxresdefault

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

Job.

banner4[1]

Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd. Job 42:5.

Dit zegt Job in het allerlaatste hoofdstuk, “ik kende U van horen zeggen”. Is dit dezelfde Job waarover God in het eerste hoofdstuk tegen de satan zegt in vers 8: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is zoals hij, zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad. En dan zegt de satan tegen God, ja, geen kunst aan, U geeft hem alles wat hij maar zou kunnen begeren, U zegent hem en zijn huis en zijn werk…. maar als U dat alles van hem af zou pakken, dán zou ik hem nog weleens willen zien.En dan geeft God de satan toestemming om in Job’s leven zijn gang te gaan, alleen Job’s leven mag hij niet nemen.

Nou, we weten wel wat er dan gebeurt, Job raakt alles kwijt wat hij ooit bezat, tot aan zijn kinderen toe, hoe verschrikkelijk moet dat zijn geweest, de ene “jobstijding” na de andere, de éne ellende nog groter dan de andere. En tóch, door alles heen verliest hij nooit het contact met God, hij blijft toch altijd weer met Hem in gesprek. En soms hele pittige gesprekken, zo vervloekt Job zelfs de dag waarop hij geboren werd.

Aan de andere kant vind ik het van God ook heel wat, om satan toestemming te geven om Job zó te beproeven, wat moet Job in zijn leven een vertrouwen bij God hebben opgebouwd dat God zó zeker van zijn zaak was. En dat vind ik dan ook het mooie van Job, hóé goed het hem ook ging, hij was altijd bezig met God, hij stond ’s morgens vroeg op om brandoffers te brengen voor zijn kinderen, hij heiligde hen telkens weer en de bijbel zegt dat Job “de rijkste man van alle bewoners van het Oosten” was. En misschien herken je het ook wel, maar als het je goed gaat dan is de behoefte om God te zoeken toch snel wat minder dan wanneer het slecht gaat, niet voor niets kennen we het spreekwoord “nood leert bidden”. Maar Job had geen nood nodig om te bidden, hij deed het sowieso. En dan gaat alles mis in zijn leven, en hóé. Maar inplaats van God vaarwel te zeggen, blijft hij in gesprek, en er zijn momenten dat Job God ter verantwoording roept, dat Hij Hem beschuldigd, maar er komt daar wel een dialoog, Job spreekt niet meer alleen tégen God en óver God, maar nu ook mét God.

Als er nood komt in ons leven, dan kan dat op twee manieren uitwerken, óf het brengt ons bij God vandaan, óf juist heel dichtbij, Job bleef God zoeken, hij bleef als het ware zoeken naar de God die hij kende van de verhalen, de God die hij zijn brandoffers bracht, de God die hem zegende, deze God, die al deze ellende over hem had gebracht ( zo dacht Job ) kende hij niet, waar was zijn God? En hij had er genoeg van om alleen maar te hóren over God, hij wilde Hem zíén, Job kende de hand van God, Job kende de zegeningen van God, Job kende ook de wetten van God, maar God zélf kende hij (nog) niet.

En dan het mooie, dat Job uiteindelijk die woorden spreekt, Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen… maar nu heeft mijn oog U aanschouwd! Prachtig, God werd zichtbaar in de nood en ellende van Job. Ik vind dat zoiets moois en waard om te onthouden en over na te denken, hoe ga ik om met de nood in mijn leven? Uiteindelijk werd Job zeer gezegend en gaat het allerlaatste stukje van het boek Job over “Jobs gezegend einde”.

Ken ik U slechts van “horen zeggen”
ken ik alleen Uw hand misschien?
heb ‘k uit die hand mogen ontvangen
zonder de Gever ooit te zien?
Och Here, hoe het mij ook gaat
‘k geef U mijn dank en mijn vertrouwen,
’t is mijn verlangen dat mijn oog
op élk moment U mag aanschouwen.

banner4[1]

 

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

Je kunt er niet omheen…

d4680cc5f80a15802f84cc8d490a1b21dmFsZW50aWpuLnBuZw==[1]

Vandaag wil ik eventjes stilstaan bij het verdriet van zovelen. Dit verdriet is er, het is reëel en het mag er ook zijn. Hoe je daar mee om gaat is voor ieder mens verschillend, maar uiteindelijk is het iets waar je niet omheen kunt maar waar je juist dóórheen moet en dat is zwaar…

Ook in ons eigen gezin was het de afgelopen week weer een tijd van gedenken en hoewel mijn dochter en haar kinderen nieuw geluk hebben mogen vinden blijft er toch een stukje gemis, gepaard met verdriet, op die speciale dagen. En ja, dat is en blijft moeilijk, en heel veel mensen kennen dit verdriet en gemis. Maar dan mag het misschien een stukje troost geven dat je daar niet alleen doorheen hoeft, er is een liefdevolle en trouwe Vader die elke stap van de weg met je mee wil gaan en jou wil ondersteunen en koesteren aan Zijn hart.

Voor een ieder die met verdriet, gemis of pijn te maken heeft wil ik een stukje van een gedicht hier neerzetten dat zo in mijn gedachten kwam. Deze keer niet door mij geschreven maar door Hanna Lam, een gedicht waarvan ik alleen de eerste regel onthouden had en dat ik opgezocht heb op de computer. De laatste twee coupletten van dat gedicht zijn zo alles zeggend en ik wil het hier vandaag als een stukje bemoediging meegeven:

De mensen van voorbij
zij blijven met ons leven.
De mensen van voorbij
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemengeuren, in een lied
dat opklinkt uit verdriet.

De mensen van voorbij
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen,
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij.

Mijn gebed is voor jou, jij die verdriet hebt om een geliefde die er niet meer is, maar die in je hart nog levensgroot aanwezig is. Ik bid dat de Here God je mag vertroosten, dat Hij met Zijn liefde en Zijn warmte zal komen en jouw hart vandaag heel in het bijzonder zal aanraken. Ik bid je vooral Gods vrede en rust toe en Zijn zegen!stilstaan

 

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail

Antwoord mij…

newlogo2_01

Psalm 4:

Antwoord mij als ik roep,
God die mij recht doet.
Geef mij ruimte als ik belaagd word,
wees genadig voor mijn gebed.

Machtigen, hoe lang nog maakt u mij te schande,
is de schijn u lief, de leugen uw leidraad?
De Heer schenkt Zijn gunst aan wie Hem trouw is,
de Heer luistert als ik tot Hem roep.

Beef voor Hem en zondig niet,
bezin u in de nacht en zwijg.
breng de juiste offers,
heb vertrouwen in de Heer.

Velen zeggen: “Wie maakt ons gelukkig?”
Heer, laat het licht van Uw gelaat over ons schijnen.
In U vindt mijn hart meer vreugde
dan zij in hun koren en wijn.

In vrede leg ik mij neer
en meteen slaap ik in,
want U, Heer, laat mij wonen
in een vertrouwd en veilig huis.


Ik vond het zo mooi om dit te lezen, we weten van David dat hij dikwijls werd belaagd door vijanden en ook deze Psalm maakt dat weer duidelijk. Toch getuigt ook deze Psalm weer van het grote vertrouwen dat David in zijn God had. Als je het begin van de Psalm leest dan begint hij met een vraag: Heer, geef me toch antwoord als ik roep. Het is een vraag maar tegelijk is het ook een bewijs van het zeker weten dat God hem hoort. David vraagt hier niet aan God of Hij hem wel hoort, nee, hij gaat er vanuit dat hij gehoord wordt en vraagt om een antwoord. Een stukje verder zie je ook dat David zelf zegt dat de Heer luistert als hij roept. David had een relatie met de Here, en hier zie je dat dat iets uitwerkt in het leven van David. Het geeft hem houvast en zekerheid, het geeft hem vertrouwen en rust, temidden van de verdrukkingen. David was trouw aan zijn God, en hij heeft ervaren dat je daarmee de gunst van God verkrijgt, dat zegt hij ook in deze Psalm. Weet je, David was in staat om altijd weer opnieuw zijn blik vast op de Here zijn God te houden, en we weten allemaal hoe een geweldig man David was, ook in Gods ogen.

Het is zo bemoedigend ook voor ons om deze dingen te lezen, want de God van David is ook mijn God, ook onze God. En Hij is nog steeds dezelfde, nog steeds is het zo dat wanneer we trouw zijn aan Hem, wij Zijn gunst in ons leven mogen ervaren. En wanneer we verdrukking of moeite meemaken in ons leven dan hoeven we niet bang of bezorgd te zijn maar dan mogen we weten dat de Here God ons altijd hoort en dat Hij absoluut te vertrouwen is, en dan mogen we net als David, temidden van de verdrukking houvast en rust vinden bij de Here, zodat wanneer we dan aan het einde van een veelbewogen dag de nacht ingaan, we net als David mogen ervaren:


In vrede leg ik mij neer
en meteen slaap ik in,
want U, Heer, laat mij wonen
in een vertrouwd en veilig huis. 

psalm-4_8

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestmail