De drie musketiers (11)
Komt er redding?![Rechts_versiering[1]](http://www.ingridsteenbeek.nl/wp-content/uploads/2014/12/Rechts_versiering1-150x150.jpg)
Behoedzaam lopen er 4 mensen door het bos, drie kinderen en een volwassen man. Ze sluipen heel voorzichtig onder de laaghangende takken van de bomen door en gaan richting het rovershol. Bart loopt voorop en hij wijst de anderen telkens op takjes of andere dingen op de grond die voor geluid zouden kunnen zorgen. Ze moeten echt muisstil zijn en onopgemerkt blijven dus zijn ze uiterst voorzichtig. Als ze vlakbij het hol zijn draait Bart zich om naar de commissaris. Hij zegt niets maar wijst alleen maar in de richting van het hol. Zijn lippen vormen woorden en de commissaris begrijpt ze. Daar is het hol maar omdat ze niet weten of er iemand in is mogen ze geen enkel geluid maken. Vantevoren was afgesproken dat de kinderen de commissaris tot dicht bij het hol zouden brengen maar dat hij alleen er naar binnen zou gaan. Hij wil niet dat de kinderen op enige manier gevaar zouden kunnen lopen. De kinderen gaan liggen op de plek vanwaar ze telkens weer de boel hebben afgeluisterd. Ze horen niets en de commissaris sluipt geruisloos verder. Na een poosje komt hij terug. Hij fluistert dat hij niemand gezien heeft en ook geen enkel aanknopingspunt heeft gevonden. Hij blijft even bij de kinderen in de sneeuw liggen. “Wat gaan we nu doen” vraagt hij en de kinderen en hijzelf denken diep na.
Misschien zijn ze verdwaald in het bos, oppert Bart. “Ze wilden toch naar de plek waar de voetstappen verdwenen” vraagt hij, “misschien kunnen we daar nog gaan kijken”. De commissaris knikt, ze gaan op pad en omdat de kinderen bekend zijn in het bos weten ze feilloos de weg te vinden naar waar de voetstappen verdwenen de vorige keer.
Bij de dikke boom aangekomen kijken ze allen speurend in het rond, er is niets te zien, geen voetstap, helemaal niets. Met z’n vieren sluipen ze om de boom heen en 8 ogen bekijken ingespannen elk plekje rondom de boom.
Binnen in het hol horen de drie mannen en de jongen dat er mensen buiten zijn. Ferdinand kijkt de anderen dreigend aan en waarschuwt ze om geen enkel geluid te maken. Hoewel ze niet eens een geluid kúnnen maken met die proppen in hun mond, houden ze zich allen koest. Dan, na een paar spannende minuten, horen ze hoe de voetstappen zich weer verwijderen…
De commissaris en de kinderen lopen teleurgesteld het bos weer uit. Geen enkel spoor hebben ze kunnen vinden van de twee rechercheurs. Ze geloven niet dat Anco nog ergens in de buurt zal zijn, die zal wel allang weggebracht zijn door die valse Ferdinand. De commissaris zucht, hoe nou verder?
De ring.
De kinderen hoeven niet meer terug naar school, de rest van de dag zijn ze vrij, het was toch al niet meer de moeite waard en zo voorkomt de directeur dat er opnieuw opschudding op school ontstaat doordat iedereen natuurlijk wil weten wat ze gedaan hebben en of ze iets gevonden hebben. Aan het einde van de schooldag laat hij wel alle kinderen en hun juffrouw of meester naar de hal komen. Daar vertelt hij hoe het er voor staat en dan stelt hij voor om met elkaar te bidden voor Anco en zijn moeder, en ook voor de twee rechercheurs. In de hal wordt het eerbiedig stil en de directeur van de school vraagt in een eenvoudig gebed of de Here God alles in orde wil maken. Stilletjes en onder de indruk gaan de kinderen daarna naar huis.
Ook Marieke komt onder de indruk thuis. Ze vertelt aan haar moeder wat er die morgen allemaal gebeurd is en Elleke gaat er eens rustig voor zitten om naar haar dochter te luisteren. “Dat is heel heftig Miekje” zegt ze, “wat zal de moeder van Anco bang zijn en wat erg dat nou ook die rechercheurs verdwenen zijn”. Marieke knikt stil, ondertussen nog steeds nadenkend over de hele kwestie. Als Anne en Joëlle net thuis zijn komt ook papa binnen en dan vertelt Marieke opnieuw het hele verhaal. Ze zijn er allemaal stil van en als ze later aan tafel gaan bidt ook papa of de Here God hier uitkomst wil geven.
Ook Bart en Janneke zijn thuisgekomen met hun verhaal en als ze even gezellig met hun moeder thee gedronken hebben vraagt mama of Bart nog even een boodschap wil halen in het dorp. Bart gaat gewillig zijn jas aantrekken en pakt zijn fiets om naar het dorp te fietsen. Als hij er bijna is ziet hij vanuit zijn ooghoek plotseling een halfverborgen man in een klein zijstraatje staan. In een flits heeft hij hem herkend, het is Ferdinand die ook naar het dorp gekomen is om voor zichzelf en zijn gevangenen iets te eten te halen. Hij probeert ongezien het dorp in te komen en daarbij gluurt hij naar alle kanten. Hij heeft Bart nog niet gezien omdat die hem van achteren nadert.
Bart heeft snel zijn fiets tegen een muur aangekwakt en volgt Ferdinand op veilige afstand. Op een gegeven moment strijkt Ferdinand zijn haar naar achteren en daarbij valt Bart’s oog op de opvallende ring, de ring van Steven. Ferdinand had de ring zó mooi gevonden dat hij hem van de vinger van Steven afgerukt had en hem zelf had omgedaan en dit komt hem nu duur te staan. Bart’s hart klopt wild van opwinding, Ferdinand weet meer van de verdwijning, daar is hij nu wel zeker van. Als Ferdinand zo onopvallend mogelijk de supermarkt insluipt is Bart’s plan gemaakt, Hij rent snel weg en gaat naar de commissaris, hij weet immers waar die verblijft. Daar aangekomen rent hij meteen door naar de kamer van de commissaris die gelukkig op dit moment thuis is. Hijgend bonst hij op de deur en de commissaris opent de deur verschrikt. “Wat is er aan de hand?” vraagt hij, maar Bart heeft bijna geen adem meer en hakkelt “u mmoet mee… heb Ferdinand gezien… ring…snel!!” De commissaris aarzelt geen moment, hij grist zijn jas van de kapstok en volgt de jongen onmiddellijk. Bart vliegt, met de commissaris op de hielen, terug naar de supermarkt waar Ferdinand binnenging en samen wachten ze buiten tot ze Ferdinand de winkel weer uit zien komen. Ondertussen vertelt Bart van de ring die Ferdinand om heeft en ook de commissaris begrijpt nu dat deze Ferdinand meer weet over zijn rechercheurs. Daar komt Ferdinand de winkel weer uit, ongezien beginnen ze hem te volgen en in het drukke dorp lukt dat vrij gemakkelijk maar als ze het dorp achter zich gelaten hebben wordt het moeilijker, dan komt de bosweg die er verlaten bij ligt en dan is het zaak om op veilige afstand te blijven.
Wanneer ze het bos naderen slaken Bart en de commissaris een diepe zucht, nu zal het makkelijker worden om ongezien te blijven en kunnen ze de bomen als beschutting gebruiken. Ze volgen Ferdinand tot aan de boom waar de vorige keer zijn voetstappen verdwenen en zien hem om de boom heen lopen. Bart en de commissaris kunnen niet zien wat hij doet want ze willen niet het risico lopen dat ze gezien worden. Ze blijven dus nog even achter de bomen staan en als ze niets meer horen sluipen ze naar de boom toe. Ze lopen er eveneens omheen en dan zien ze iets dat ze de vorige keer niet gezien hebben, ze zien de hendel die boven de sneeuw uitsteekt omdat Ferdinand hem zojuist gebruikt heeft. De commissaris kijkt Bart aan, legt een vinger op de lippen en loopt heel behoedzaam een stukje bij het luik vandaan. Bart volgt en als ze ver genoeg weg zijn fluistert de commissaris Bart in dat hij zo snel mogelijk naar het dorp moet gaan en om versterking moet vragen, hijzelf zal dan de wacht houden bij het luik totdat er hulp komt en dan zullen ze met elkaar het luik openen en Ferdinand overrompelen. Bart heeft niet meer woorden nodig en vliegt er vandoor.
Nog geen 20 minuten later komt hij terug, hij loopt heel voorzichtig voorop en let goed op dat hij geen enkel geluid maakt, de 3 agenten die meegekomen zijn letten eveneens heel goed op waar ze lopen. Op korte afstand van het luik ontmoeten ze de commissaris. In fluisterende zinnen vertelt hij wat ze hebben gezien en wat het plan is en dan gaan ze met z’n vieren erop af. Bart moet op afstand blijven want voor hem is het veel te gevaarlijk. Hij blijft vol spanning toekijken, hoe zal dit aflopen…
Wordt vervolgd…


![Kinderkerst_kaarsjes[1]](http://www.ingridsteenbeek.nl/wp-content/uploads/2014/12/Kinderkerst_kaarsjes1.gif)