
Ingrid Steenbeek |
De verloren zoon. Ik zag je gaan, je voelde je tevreden, je was zo blij, je voelde je zo rijk, het liefst vergat je alles uit’t verleden, ik zag geen angst, geen enkel liefdeblijk. Alleen maar onrust die je geheel doorstroomde, verlangen naar wat morgen brengen zou. ik zag je gaan en ‘k heb je nagefluisterd: mijn lieve jongen, ik houd zoveel van jou. Toch heb ik jou gegeven wat je toekwam en ik heb je in mijn wijsheid laten gaan, als ‘k had getracht je plannen te verhind’ren dan had je immers nooit mijn liefde goed verstaan? Ik zag je gaan en ik ben blijven kijken, verlangend naar jou hield ik daar stil de wacht, ik wilde klaarstaan als je terug zou komen en zo bleef ik daar wachten, dag en nacht. Oh, nooit zal ik dat moment vergeten dat ik je in de verte komen zag, mijn hart sprong op van vreugde en van liefde, voor mij was dat de allermooiste dag. Ik weet nog goed, ik nam je in mijn armen en ‘k drukte je heel vast tegen mij aan, ik voelde geen verwijten, enkel blijdschap en ik zei: mijn zoon, ik laat je nooit meer gaan. Je stamelde, ik ben het niet meer waardig uw zoon te zijn, ik deed zoveel verkeerd, nu kom ik terug om u als knecht te dienen, in de afgelopen tijd heb ik zoveel geleerd. Ik dacht dat ik veel vrienden had en vrienden, vond ik, kun je wel iets lenen, maar in korte tijd had’k al mijn geld verbrast en waren ook mijn vrienden snel verdwenen. Toen ben ‘k gaan werken, ‘k ging de varkens hoeden, want terug naar huis, dat durfde ik toch niet, ik had veel tijd om almaar na te denken en toen opeens begreep ik uw verdriet. Zolang ik leef was u altijd degene die telkens weer heeft klaargestaan voor mij en inplaats van dank ben ik zomaar verdwenen, eindelijk vrijheid, dacht ik toen nog blij. Die vrijheid hield mij al heel snel gevangen, ik kon nergens heen, ik had geen uitzicht meer en uiteind’lijk ben ik toch met vrees en beven tot u gekomen, maar als knecht mijn heer. Ach jongen, ik wil jou als knecht niet hebben je bent mijn zoon, zoals je altijd bent geweest, vandaag ben je bij me terug gekomen en speciaal voor jou geef ik een groot feest. Ik geef je een ring en nieuwe kleren, Het gemestte kalf laat ik slachten voor jou, We denken niet meer aan wat geweest is, Mijn lieve zoon, ik houd zoveel van jou! |